Column

De single

Onlangs bezocht ik met mijn zus een concert waarbij de zanger aan het publiek vroeg wie er allemaal een relatie had. Op mijn zus na stak iedereen zijn hand op. De zanger was even van slag (hij dacht waarschijnlijk dat zijn doelgroep vooral uit wilde singles bestond) en zei ietwat teleurgesteld dat hij het volgende nummer opdroeg aan de vrijgezel in ons. Het eerste waar ik aan moest denken bij de vrijgezel in mij was een enorme mond met rijen puntige tanden, een bodemloze trog vol behoeftes. Maar de zanger zette een vrolijk uptempo lied in waarvan ik de tekst niet helemaal kon volgen, behalve de keren dat hij “Free Love!” en “Sex!” riep.

Na afloop was mijn zus aan het schuimbekken (dat deed ze al tijdens het concert maar toen overstemde de muziek haar gelukkig nog).

„Ik heb genoeg van al die vooroordelen over singles! Al mijn gesettelde vrienden denken dat ik chronisch seks heb!” riep ze woedend.

„Maar je hebt toch ook chronisch seks?” zei ik. Mijn zus is zo vurig dat wanneer ze in een emmer Nivea spuugt je het meteen als oestrogeenzalf op de markt kan brengen. Die heeft inmiddels met meer meisjes het bed gedeeld dan Justin Bieber.

„Dat is het punt niet, ik heb ook chronisch seks in een relatie! Die stomme zanger gaat ervan uit dat het enige verschil tussen singles en stelletjes de seks is, terwijl er ook een uiterst sacrale kant aan het vrijgezel zijn zit!”

„Wauw! Sacraal?”

„Ja, weet ik veel, spiritueel, dat je even jezelf niet constant hoeft aan te passen aan een kracht van buitenaf, even lekker je eigen hoofd kan onderzoeken zonder gemekker van derden!”

„Je bedoelt dat je als single authentieker bent?”

„Alleen dat je als alleenstaande een andere versie van jezelf bent, meer gericht op de buitenwereld en stukken alerter op je eigen tekortkomingen, want er is geen mantel der liefde die ze toedekt”. Ze haalde even diep adem. Daar had ze een punt. Je stelt je anders tegenover onbekenden op want je mist genegenheid of althans: de geruststellende gedachte dat genegenheid onder handbereik is.

“Weet je”, zei mijn zus, „ik vraag me af hoe de zaal had gereageerd als ze eerst massaal had toegegeven dat ze geen relatie had, en die zanger vervolgens een lied had opgedragen aan de partner in hen. Dan had hij vast geen feestnummer gespeeld maar iets in mineur, zoals ‘Everybody hurts’ of het Wilhelmus.”

En zo liepen we de zaal uit, mijn zus nog steeds ziedend, ik mijn excuses aanbiedend aan alle mensen die ze in haar woede aan de kant duwde. Ik dacht aan mijn fantastische geliefde en had de rest van de avond het Volkslied in mijn hoofd.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.