Column

De dynamiek van families

Martin Scorsese en Woody Allen worden wel de belangrijkste chroniqueurs van New York genoemd. Daar zit veel waars in, als je afgaat op hun beste films. Wat zij bovendien gemeen hebben, is de nostalgische liefde voor hun familieleven in het oude New York.

In zijn film Radio Days liet Allen zien hoe de familieleden ’s avonds bij elkaar kwamen om gin rummy te spelen en op de radio naar het oorlogsnieuws en de amusementsprogramma’s te luisteren. Scorsese vertelt in interviews vaak dat menige scène in zijn films geïnspireerd is door de verhalen die hij thuis in zijn jeugd hoorde; in Italiaanse kringen deed men niets liever dan elkaar verhalen vertellen.

In de aan Scorsese gewijde overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Eye is dan ook terecht een afdeling gewijd aan zijn familie; je vindt die meteen na binnenkomst. Ik vond dit achteraf het aardigste deel van de tentoonstelling, hoe interessant andere delen ook zijn, met name het muzikale deel. „Veel van waar ik door geobsedeerd ben, heeft te maken met de relatie en dynamiek tussen mensen en hun familie, vooral tussen broers en hun vader”, heeft hij er zelf over gezegd.

Zijn fascinatie blijkt ook uit de interviews die hij zijn ouders op film afnam. Hij heeft daar in 1974 zelfs een documentaire aan gewijd: Italianamerican, waarvan gedeelten in Eye te zien zijn. Ik heb er met veel plezier naar gekeken, vooral naar de momenten waarop Charles en Catherine Scorsese elkaar in de haren zitten met een mengeling van liefde en ergernis.

Als zij spottend beschrijft hoe haar man na zijn werk thuis zwijgend in zijn stoel zit, zegt hij: „Wat heb je me na veertig jaar huwelijk ook nog te zeggen?” Genoeg, merkte ik toen ik later de hele documentaire op YouTube bekeek. Ze halen daar met overgave herinneringen op aan allerlei familieleden, hun ouders voorop. Scorsese fungeert effectief als een bescheiden aangever.

Zijn talent moet hij van zijn uiterst spraakzame, goedlachse moeder hebben; het zal geen toeval zijn dat hij haar diverse rolletjes in zijn films heeft gegeven. „Ik kreeg maar 28 dollar voor mijn rol in Mean Streets”, zegt ze quasiboos tegen haar zoon. De opnamen moesten steeds over, want Scorsese is een perfectionist. Zijn moeder: „Ik zei tegen hem dat ik de volgende morgen weer vroeg op moest. Hij zei: ‘Hou je mond, ga in die hoek staan en kom er pas weer uit als ik je roep.’”

Filmen over datgene wat hij zelf heeft gezien en meegemaakt, gaat Scorsese beter af dan het aanwenden van zijn fantasie, merkte ik toen ik na het bezoek aan Eye op tv voor het eerst zijn film Shutter Island uit 2010 zag, een geforceerde geschiedenis van twee rechercheurs in een onwaarachtige psychiatrische kliniek op een afgelegen eiland. Het was de enige film van Scorsese waarvan ik het einde niet haalde.

Verder ving ik op de tentoonstelling een glimp op van Zina Bethune, ooit een veelbelovende actrice in Scorseses debuut Who’s That Knocking at My Door uit 1967. Hoe was het toch met haar afgelopen?

Ik zocht het thuis op. Zina bleek in 2012 door twee auto’s te zijn doodgereden, toen ze uit haar auto was gestapt om langs de kant van de weg een gewonde buidelrat te helpen. De rat was al dood, bleek later. De grilligste regisseur zit boven.