Bestaat de ‘echte’ Amsterdammer?

Hoofdstedelingen

Het ontroerende filmpje voor de zieke burgemeester Eberhard van der Laan werd massaal bekeken: echte Amsterdammers beloofden hem goed op zijn stad te zullen passen. Maar wie of wat zijn dat eigenlijk, die ‘echte’ Amsterdammers? NRC doet een poging de ziel van de stad te duiden en laat drie mensen uit de video aan het woord.

Toen ik klein was woonden we in de Rivierenbuurt en daar woonde ook een buurjongen, een stuk ouder dan ik, die door een stuk oudere jongens uit de buurt werd gepest. In de overlevering begint het met een autoped die hij voor zijn verjaardag kreeg. Niet zo een op smalle rubber wieltjes, maar een echte: met dikke banden waar een ventiel in zat. „Ik heb luftebanden, ik heb luftebanden”, zo stepte hij door de straten. Tot hij een vijand tegenkwam, die een zakmes te voorschijn haalde, met een grijns „Zo, heb jij luftebanden?” zei en de luchtbanden doorsneed. Later werd hij in een van de portiekwoningen met zijn polsen strak aan twee deurkrukken gebonden, waarop zijn vijanden bij beide bewoners van de bovenverdiepingen aanbelden, in de hoop dat die tegelijkertijd de deur van boven zouden opengooien, waarmee ze ongewild de vastgebonden buurjongen ‘tweeëndeelden’.

Tot zover de Amsterdamse humor.

Maar op een dag kwam de geplaagde buurjongen de deur uit. Zijn hoofd was kaalgeschoren, eronder trok hij een gezicht dat zei: kom maar op. Hij werd niet meteen op de schouders genomen, maar er was respect voor de vrijmoedigheid van zijn gebaar. Ze lieten hem voortaan met rust.

In het wapen van Amsterdam staan drie deugden: heldhaftig, vastberaden, barmhartig. Daar valt van alles op af te dingen, zeker sinds de Tweede Wereldoorlog. Toch mogen politici en bestuurders er graag naar verwijzen om hun ideeën kracht bij te zetten. Amsterdammers zijn namelijk zeer gevoelig voor de suggestie dat zij heel bijzondere mensen zijn – wat andere Nederlanders dan vaak weer ergert. Burgemeester Van der Laan kan bijvoorbeeld als geen ander zeggen dat Amsterdammers „lieve mensen” zijn, en dan krijg je een hoop van ze gedaan.

Een paar weken geleden werd een filmpje gepubliceerd waarin enkele Amsterdammers zich tot hun burgemeester wendden met een belofte. De een zou de stad altijd tolerant houden, een ander zou blijven zorgen voor een plek voor skaters of dat de hele stad voor altijd gezellig zou wezen. De gefilmde beloften werden gevolgd door een hausse aan voornemens op Facebook.

Van der Laan had kennelijk een snaar geraakt. En niet omdat hij ziek was, maar om hoe hij burgemeester is geweest voor en nu ook tijdens zijn ziekte. Is die snaar zoiets als de ziel van de Amsterdammer? Of liever: de ziel van de stad – want de Amsterdammer die zijn wortels in de stad meer dan twee generaties kan terugvinden, is een zeldzaamheid. Amsterdammer zijn is de band met de stad voelen, het is een Wahlverwandtschaft.

Die keuze staat iedereen vrij. Eeuwenlang heeft Amsterdam de armen gespreid voor gelukszoekers, mensen die per definitie vrijmoedig zijn, die een zekerheid achter zich hebben laten voor een belofte. Soms doen ze het met de moed der wanhoop, soms uit overmoed, maar altijd vrijmoedig. Toen hij als burgemeester werd geïnstalleerd zei Gijsbert van Hall niet voor niets dat de Amsterdammer uiteindelijk „steeds zijn eigen gezag is”. Dat was in 1957, tien jaar later was de onkreukbare regent – heldhaftig, vastberaden, barmhartig tijdens de oorlog – van zijn zetel geprovoceerd.

Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik in de kaalgeschoren schedel van die buurjongen iets van de ziel van de stad zie. Ook wegens het verschil tussen de vrijmoedigheid vanuit een ondergeschikte of vanuit een luxepositie. De eerste vraagt persoonlijke moed en opofferingsgezindheid. De tweede kan algauw blasé en verwend worden – ondeugden die ook aan de Amsterdamse ziel worden toegeschreven.

De ontwikkelingen in de stad lijken snel en meedogenloos in het voordeel van de luxepaarden te gaan. Tijdens een discussieavond over de ‘Staat van de Stad’ vorige week, spraken verschillende experts over de demografische ontwikkelingen. Nieuwkomers in de stad zijn steeds vaker hoog opgeleid en steeds ouder; er komen meer afgestudeerden dan studenten binnen. En die nieuwkomers blijven steeds korter, de omloopsnelheid van de bevolking neemt toe.

De ontwikkelingen in de stad lijken snel en meedogenloos in het voordeel van de luxepaarden te gaan

De Wahlverwandtschaft die mensen aangaan met Amsterdam – de aan de stad dienstbare Rijnsburger Van der Laan is een lichtend voorbeeld – wordt daarmee steeds meer een optie in plaats van een keuze. De stad wordt in toenemende mate bevolkt door mensen die er niet duurzaam voor kiezen en er dus in zekere zin onthecht verblijven. En mensen die ergens kort verblijven, zijn bereid meer te betalen voor dat verblijf – denk maar aan je eigen gedrag in de vakantie. Dat drijft de prijzen van huizen en van wat er verder te koop is op.

De nieuwe Amsterdammer dreigt in toenemende mate een consument van de stad te worden. Ik moet denken aan de buikige veertiger die een paar weken terug, na de live uitgezonden nederlaag van Ajax, op de Willemsparkweg zuchtend zijn smartphone op een fietszadel legde en er drie lijnen cocaïne vanaf snoof, regelrecht zijn kale schedel in. Zo, de nacht kon beginnen. Ja, dat is ook vrijmoedigheid, maar zielloos.

Linda Grootfaam (58)

Organiseert zorgreizen en woont hier sinds haar negende.

„Het duurde heel lang voordat ik me Amsterdammer voelde. Het was een gevecht tussen mij en een heleboel andere mensen, met name met mijn dochter die in Amsterdam geboren is. Mijn familie riep vaak: „Je bent gewoon een Amsterdammer”, en dan riep ik terug: „Ik ben een wereldburger!” Een Amsterdamse wereldburger is het nu dus.

Ik voel me Amsterdams wanneer ik buitenlanders in de stad zie lopen en ik bereid ben ze te helpen en ze vertel hoe leuk en fantastisch deze stad is. Dan komt er een gevoel in me naar boven, ja het stroomt dan echt in mijn lichaam, en dan denk ik: verhip, deze mensen komen gewoon speciaal naar onze stad toe. Ik had dat gevoel al wel vaker gehad, maar nu pas kan ik benoemen dat het typisch Amsterdams is om dat zo te voelen. Ik dacht voorheen dat alleen ik dat had, zo immens en groots, maar het is Amsterdams-zijn. Met mijn man wandel ik in het weekend vaak ’s ochtends vroeg over de grachten, dan is het hier zo mooi. Denk ik daar bewust over na, dan krijg ik er kippenvel van. Als ik in het buitenland ben en ik vertel mensen dat ik in Amsterdam woon, dan zorgen de reacties op hun gezichten ook voor dat trotse gevoel.

Vaak mopperen we ook, dat is ook echt Amsterdams, maar we gaan niet weg

Het is ook het fietsen dat me Amsterdams maakt. Als ik in het buitenland ben en ik kan een paar dagen niet fietsen, dan zeg ik: „Ik wil naar huis.” Dan zegt mijn man: huur gewoon een fiets. Maar dat is niet hetzelfde. Hier steken de mensen een hand naar elkaar op, maken een praatje en hebben we het over de stad. Vaak mopperen we ook, dat is ook echt Amsterdams, maar we gaan niet weg. De stad groeit en verandert ja, maar dat is alleen maar goed. We mogen wel iets vaker positief zijn, vind ik. Zelfs over positieve dingen mopperen we.

Toen burgemeester Van der Laan werd gekozen, dacht ik: dat is hem. De burgemeesters voor hem waren wat afstandelijker. Toen hij net was benoemd stond ik met een vriendin, een rasechte Amsterdamse, bij brasserie Keyzer en toen fietste Van der Laan voorbij. „Hé, Eeeeberhard”, schreeuwde die vriendin over straat. „Dat zeg je toch niet”, fluisterde ik boos. „Hé, dames!”, riep hij terug. Zo spontaan. Dan smelt je, ja, dat was hem. Zacht en kordaat.

Op mijn negende verhuisden we vanuit Suriname naar Amsterdam. Vlak daarna verdronk mijn vader in de grachten. Dat heeft een enorme impact op ons gehad en maakt dat ik altijd verbonden blijf met deze stad.”

Bob de Kater (62)

Fietsreparateur op het Waterlooplein.

Filmstills Productiehuis Wefilm

„Of ‘dé Amsterdammer’ bestaat? Ja, natuurlijk! De Amsterdammer heeft een beetje een grote mond, maar zijn hartje is van goud. De burgemeester is er zo een: af en toe schiet hij uit zijn slof, maar het is een man van goud.

Ik voel mezelf ook een echte Amsterdammer, het kan niet anders. Ik ben geboren in het oude Wilhelmina Gasthuis-ziekenhuis achter de Overtoom. Ik sta al 50 jaar hier op het Waterlooplein. Eigenlijk al langer, want vanaf mijn zevende moest ik elke dag met mijn vader mee. Vóór school uitpakken, na school weer helpen inpakken. Na de lagere school ging ik hier zelf staan.

Het hoort zo dat de stad groeit, dat is de natuur. Het is ook logisch dat hier mensen komen bij wie het in hun thuisland oorlog is. Maar zij zijn natuurlijk geen echte Amsterdammers, je moet hier wel zijn opgegroeid. Ik heb een paar Surinaamse vrienden: de jongens die hier geboren zijn, zijn echte Amsterdammers. Van de rest wordt maar een heel klein gedeelte Amsterdammer.

Alle politie kent me. Ik hoef nooit mijn identiteitsbewijs te laten zien want ze weten mijn naam toch al

In het filmpje voor de burgemeester beloofde ik dat ik nooit meer in contact zal komen met justitie. Ik ben geen brave jongen geweest. Alle politie kent me. Ik hoef nooit mijn identiteitsbewijs te laten zien want ze weten mijn naam toch al. Op Nieuwjaarsdag kwamen er acht politiemannen naar mijn bus lopen, niet om me te bekeuren maar om me een gelukkig nieuwjaar te wensen. Zo is onze band dus inmiddels. Ook met de wijkagenten heb ik een band, die hebben echt humor. Op mijn 55ste was ik helemaal klaar met die onzin: sommige mensen worden op hun 20ste volwassen, anderen op hun 55ste. Sindsdien ben ik helemaal ‘clean’ – en dat blijf ik, anders had ik het niet beloofd aan de burgemeester.

Ik zie hem natuurlijk wel eens voorbij komen hier op het plein. Ik ken hem wel, ik weet niet of hij mij kent. „Hé, pa van de gemeente”, riep ik de eerste dat ik hem zag. „Ja, maar ik ben niet je echte vader”, antwoordde hij. Leuk toch.

Als ik 65 of 67 ben, verkoop ik alle spullen die ik door de jaren heb verzameld en vertrek ik naar Suriname. Niet om Amsterdam hoor, echte Amsterdammers gaan niet weg, maar om het klimaat. Het is me te koud hier. En ik heb veel kou geleden hoor. Vroeger kon ik er nog wel tegen: zat mijn vader de hele dag in het café hier tegenover en stond ik hier in de vrieskou. Maar ik kan het niet meer hebben. Een echte Amsterdammer blijft in Amsterdam, maar het gaat mij om het klimaat. Dat is anders.”

Jordy van der Panne (34)

Mede-eigenaar van het Skatecafé. Kwam op zijn 18de naar Amsterdam

„Ik voel me een Amsterdammer, al ben ik geboren en getogen in Nederhorst den Berg; een dorpje aan de Vecht. Als tieners hadden mijn vrienden en ik al gauw door dat we niet naar Hilversum maar naar Amsterdam moesten voor de echte gezelligheid. Het was losbandiger. Ik kom nu in iets andere cafés maar ik ga nog wel eens naar Mister Kokos terug om voetbal- of rugbywedstrijden te kijken, of La Bastille, en dan begrijp ik goed waarom we dit vroeger zo leuk vonden. Daar zijn Amsterdamse cafés vrij uniek in: er wordt altijd gelachen en gezongen, de sfeer is nog hetzelfde als vroeger.

Na de middelbare school reisde ik veel en toen zag ik wat voor een wereldstad Amsterdam was. En hoe bijzonder het was dat zo’n mooie stad om de hoek lag. Ik verhuisde naar Amsterdam. Hoe meer ik daarna reisde, hoe meer ik erachter kwam dat Amsterdam alles heeft wat je zoekt. Zoveel soorten verschillende mensen. Je kunt wel op reis gaan om mensen te leren kennen, maar tijdens mijn 12 jaar in de horeca hier ben ik mensen van over heel de wereld tegengekomen. Cool dat al die verschillende samenlevingen door elkaar heen lopen. Je hoort vaak dat ze met elkaar botsen, maar daar ben ik het absoluut niet mee eens. Ik heb in twee volkse buurten gewoond en daar gebeurt wel eens wat, maar meestal gaat het hartstikke goed. Omdat ik een café heb kom ik op rare tijdstippen thuis, maar de mensen op straat zijn altijd aardig. Als je zelf goedenavond zegt, zeggen mensen dat altijd terug.

Hoe meer ik reisde, hoe meer ik erachter kwam dat Amsterdam alles heeft wat je zoekt

Dé echte Amsterdammer bestaat absoluut, hier om de hoek in de Vogelenbuurt en Tuindorp vind je ze genoeg. Ik vind het een moeilijke vraag wat een echte Amsterdammer maakt, maar je herkent ze aan hun prachtige accent. En aan hun bluf en goede dosis humor. Altijd in voor een grapje. Amsterdammers dragen allemaal hun steentje bij om de stad zo mooi mogelijk te maken: burgers maken de stad en de burgemeester is aanvoerder.

Vroeger zei ik: als ik kinderen krijg, dan verhuis ik terug naar Nederhorst den Berg. Volgende maand word ik vader en ik kom erop terug. Het is hier hartstikke leuk leven voor jongeren, ze hebben een bredere kijk op de wereld dan ik die had als provinciale jongen.

In het filmpje beloof ik de burgemeester een plek voor de skaters te waarborgen. Aan het einde steek ik mijn duimpjes op. Waarom, vroeg ik me later af, dat doe ik nooit. Maar ik denk dat het burgemeester Van der Laan symboliseert. Een bijzonder inspirerende man.”