Naarden-Vesting: „Het geluid van vogels in plaats van lijn 3 went snel, vijf trappen omhoog met kind en boodschappen nooit.” Foto TasfotoNL/Getty Images

We waren al een tijdje op zoek naar een woning in Amsterdam. Net voor de crisis. Een appartement van 100 vierkante meter in de Rivierenbuurt kostte nog tweeënhalve ton. Toen Rutte zei: „We moeten een nieuwe auto kopen of een nieuw huis”, zaten we middenin de concurrentiestrijd om huizen binnen de Ring. De prijzen schoten omhoog met 8 procent per kwartaal. Wat voor een tomaat nog wel te doen is, maar een huis is dan al snel tienduizenden euro’s duurder. Het verschil tussen wel of geen hypotheek kunnen krijgen.

De prijzen bleven stijgen terwijl wij steeds kritischer werden. Dan toch maar buiten de stad kijken? Ik moest er niet aan denken. Maar in een ‘opkomende’ buurt voor veel geld wonen: wilde ik zo graag in de stad blijven?

Tegelijk maakten al wat vrienden de overtocht. Buiten de Ring. Naar Haarlem. Naar Almere. Naar Bussum. Ook wij keken voorzichtig buiten de stadspoorten. Die eerste paar keer dat ik het vestingstadje Naarden (ja, het is een stad) binnenreed kreeg ik het benauwd. Kleine huizen, kleine straatjes, zelfs de Albert Heijn is klein – de kleinste van Nederland. Dat benauwde gevoel ging niet weg.

Maar ook deze gedachte niet: wil ik mijn kind iedere dag vijf trappen op en af tillen? Zijn longen iedere dag laten volblazen met die gore troep uit uitlaatpijpen van auto’s, vrachtwagens en 2-takt brommertjes? Van elk ritje naar de supermarkt een onderneming maken? En hem de eerstkomende tien jaar niet loslaten omdat er altijd en overal verkeer is?

Nu volg ik de berichten over de overspannen huizenmarkt in Amsterdam vanuit een kleine stad, terwijl ik me afvraag waarom zoveel mensen als gekken ver boven de vraagprijs bieden. Natuurlijk: Amsterdam is prachtig. Er zijn grachten, musea en er is alles op cultureel en culinair gebied. Vooral dat eten mis ik. Want, er zitten wel wat aardige tenten hier, maar de keuze is vele malen kleiner dan in de stad.

Wat ik ervoor terug heb gekregen? Vrijheid. In het weekend gaan we fietsen. Dat klinkt saai. Maar hoe joie de vivre twee jonge ouders met een tweejarige in de stad er ook uitziet, het is gewoon altijd een gedoe. En hoewel er steeds meer speelplekken in Amsterdam zijn, je kind kun je nooit echt loslaten. Niet in het plantsoen aan de overkant van de straat. Daar prikt hij in hondendrollen of stopt hij sigarettenpeuken in z’n mond. Niet in het Vondelpark, daar zijn de fietsers. Hier speelt de jongen iedere dag op de hei, in het bos of op de Vestingwallen.

De stad vind ik nog steeds geweldig. Die ben ik niet gaan haten omdat het druk, lawaaierig of vies is. (Wat het trouwens wel is.)

Of ik voor mijn kind weg ben gegaan? Ja én nee. Zonder de jongen had ik waarschijnlijk nog steeds in Amsterdam gewoond, maar mét kind is het leven nu eenmaal anders.

Of ik de handdoek in de ring heb gegooid? Ik wilde eigenlijk in de stad wonen maar dat is niet gelukt. Zo voelde het misschien in het begin. Maar als al die mensen die nu tienduizenden euro’s boven de vraagprijs voor een appartementje in Amsterdam bieden zouden weten wat ik weet (het geluid van vogels in plaats van lijn 3 went snel, vijf trappen omhoog met kind en boodschappen nooit) zou die huizenmarkt niet zo overspannen zijn.

Juliette de Swarte, Naarden-Vesting