Cultuur

Interview

Interview

Nummer 1 van de NRC Cultuur Top 100: schrijver Arnon Grunberg, internationaal Nederlands invloedrijkste kunstenaar

Foto Wouter van Vooren

Arnon Grunberg: ‘Luiheid vind ik vreselijk’

Cultuur Top 100 Arnon Grunberg is verbaasd over zijn eerste plaats in de Cultuur Top 100. „Meestal is dat een leugen, maar nu kan ik uit de grond van mijn hart zeggen dat het waar is.”

In de eerste twee edities van de NRC Cultuur Top 100 stond Arnon Grunberg, „ergens rond de veertigste plaats”, heeft hij onthouden. Nu is de nummer 49 en 42 uit eerdere jaren plotseling bovenaan de lijst beland. „Dat verbaasde me wel. Meestal is dat een leugen, maar nu kan ik uit de grond van mijn hart zeggen dat het waar is.” Zelf denkt de schrijver (Amsterdam, 1971) dat zijn uitverkiezing iets met de Frankfurter Buchmesse te maken heeft. In oktober vorig jaar mocht hij – met de Vlaamse dichter Charlotte Van den Broeck – de openingstoespraak houden op de grootste boekenbeurs ter wereld, waar de Nederlandse en Vlaamse cultuur centraal stonden. „Dat werd in elk geval in Duitsland als zeer eervol ervaren.”

Grunbergs dankwoord als nummer 1 in NRC Cultuur Top 100. Tekst gaat verder na video

Video DutchCulture & Toonbeeld Producties

De Cultuur Top 100 draait in zekere zin om cultuurexport. Voelt u zich een exportartikel?

„Op het moment dat je tussen de koningen van Nederland en België op een podium staat, ontkom je niet aan de gedachte dat je vooral een nationaliteit bezit en dat je daarnaast ook nog wat doet.”

U bent een verklaard anti-nationalist.

„Zeker, maar ik voelde me toch niet bezwaard. Ik ben nooit een royalist geweest, maar sinds de PVV zo tekeer gaat tegen het koningshuis is mijn sympathie toch gegroeid. Dat zag je ook een beetje aan de reacties op de verjaardag van de koning. Als hij een nationalistisch symbool is, dan toch een vrij onschuldig symbool. Misschien zelfs een anti-nationalistisch symbool.”

Kende u de koning al?

„Ik had hem twee keer eerder ontmoet. Eenmaal toen ik het Genootschap van Hoofdredacteuren toesprak. Beatrix was nog koningin, maar ik heb daar alleen met Willem-Alexander en Máxima gesproken. Ik geloof dat Beatrix een hekel aan mij had. Er is een aantal gelegenheden geweest waarop zij naar mijn idee haar best heeft gedaan om mij te vermijden. Hem vond ik heel joviaal. Daarna ben ik een keer uitgenodigd voor een diner met diplomaten. Toen sloeg Willem-Alexander mij op de schouder en zei: ‘Ik lees elke dag je Voetnoot in De Volkskrant.’”

Toen wist u dat u definitief tot het establishment was toegetreden.

„Dat was niet mijn gedachte. Ik dacht: dat is natuurlijk makkelijker dan een boek.”

Bekijk hier de volledige lijst van de Cultuur Top 100

Had u het idee dat u iets groters stond te verdedigen op de Buchmesse?

„Omdat ik daar in Duitsland stond, vond ik dat ik iets moest zeggen over mijn ouders en hun geschiedenis. Dat was een bijzonder moment [Grunbergs ouders vluchtten voor de nazi’s naar Nederland]. Voor mij hielp het dat het een bijzonder politieke bijeenkomst was. Het ging over Turkije, over de Europese Unie. De bevlogenheid van een aantal mensen was heel groot. Dan krijg je vanzelf het idee dat je iets staat te verdedigen. Dat er iets het verdedigen waard is.”

Had u twintig jaar geleden verwacht dat u een schrijver zou zijn die zo dicht op de actualiteit zou zitten?

„Als iemand me toen had gezegd dat ik nog eens hartstochtelijk de EU zou verdedigen in een column dan had ik hem heel hard uitgelachen. Politieke columns had ik nooit van mezelf verwacht. Dat had ik zelfs een beetje vies gevonden. Maar het was echt een andere tijd. Achteraf was, ook voor mij, 11 september heel belangrijk.”

In NRC Handelsblad schreef u toen over de kwaliteit van de aardappelkoekjes in een Thais restaurant in New York.

„Ik sta nog steeds achter dat stuk. Ik vond dat iedereen vast zat in de hysterie van het moment. De reactie dreigde gevaarlijker te worden dan de gebeurtenis zelf. Maar het gaat me veel meer om wat er daarna is gebeurd in de wereld. Niet alleen door die aanslagen, maar ook het populisme. Dan gaat het om de botte omstandigheid dat je in een land als Turkije gevangen kunt worden gezet om wat je schrijft. Dat de president van Amerika kennelijk tegen de directeur van de FBI heeft gezegd dat journalisten maar moeten worden opgesloten. En dat voor een land dat zich als de hoeder van de vrije wereld afficheert. Je kunt daarom lachen – en dat doe ik ook – maar je kunt het niet van tafel vegen als nietszeggend.”

U besteedt veel van uw tijd aan journalistieke projecten.

„Zelfs als ze niet terugkeren in een roman, merk ik dat die me beïnvloeden. Natuurlijk gebeurt het dat je om half vijf moet opstaan om naar een slachthuis te gaan, daar aankomt en denkt: het was weer geen goed idee. Maar in elk project zitten dingen die je uit je comfort zone trekken op een manier die ik goed en interessant vind. Achteraf ben ik altijd blij. Het is niet zo dat ik per se materiaal voor mijn boeken moet verzamelen, maar ik ben wel nieuwsgierig. Nieuwsgierigheid heeft voor mij heel veel met geluk te maken.”

De schrijver neemt de felicitaties in ontvangst in Gent, waar hij twee weken verblijft voor de repetitie van een theaterstuk dat Josse De Pauw maakte naar aanleiding van Grunbergs boek De mensheid zij geprezen. Geen hele weken, want tussendoor is hij een weekend in Amsterdam voor een 24-uurs leesclub en een aflevering van zijn interviewreeks in De Balie. Een paar dagen eerder was hij nog in Genève, daarvoor in zijn woonplaats New York.

Grunberg, door de jury aangeduid als „voor Nederland een geweten en voor het buitenland een Nederlands geweten”, slaapt zelden meer dan zeven nachten achtereen in hetzelfde bed. In januari 2016 was hij drie weken in New York. „Dat was om de roman Moedervlekken af te maken. Het voelde als bijzonder lang.” De rest van het jaar was hij overal na hooguit een weekje weer weg. Aan het eind van 2016 had Grunberg veertien landen bezocht: 128 dagen was hij in New York, 83 in Amsterdam, 44 in Duitsland, 28 in Zwitserland, 15 elders in Nederland en 10 in Israël. Overal is hij aan het werk. Grunbergs whereabouts zijn eenvoudig te reconstrueren omdat hij elke dag een stukje plaatst op zijn blog. Verder schrijft hij zijn dagelijkse voorpaginacolumn voor De Volkskrant, wekelijkse bijdragen aan een trits Nederlandse media, regelmatig reportages en essays in NRC, en incidentele bijdragen aan buitenlandse kranten. Daarbij komen nog tijdelijke projecten, zoals het toneelstuk in Gent of vorig jaar de productie The Future of Sex met Johan Simons en theatergezelschap Wunderbaum.

Het ArnonGrunberg Agency, een samenwerkingsverband tussen zijn twee belangrijkste Nederlandse uitgeverijen, regelt de rechten van zijn literaire werk, dat in veertig talen is vertaald. Zijn agenda wordt al meer dan tien jaar beheerd door een privé-secretaris; alleen vliegreizen boekt de eenmans-multinational Grunberg bij voorkeur zelf. „Het reizen is soms vermoeiend of tijdrovend, maar het feit dat je steeds in een ander bed slaapt niet. Je pakt je koffer uit en je gaat aan het werk. Die onrust, als het onrust is, hoort zo bij me dat het normaal is geworden.”

Heeft u nog wel eens een jetlag?

„Soms, als ik terugga naar New York. Slaapstoornissen zijn heel slecht voor de hersenen. Ik ben van plan om minder te gaan vliegen, op een gegeven moment. Het lijkt me ook wel leuk om eens twee maanden op dezelfde plek te zijn. 2018 moet een soort sabbatical worden.”

Zitten al uw reizen en projecten het romanschrijven in de weg?

„Dat denk ik niet. Ik werk nu aan een nieuwe roman. In het verleden was het zo dat ik soms een tijd niet schreef en dan ineens 1.000 of 1.500 woorden. Nu heb ik me voorgenomen om iedere dag in elk geval 400 woorden te schrijven. Ik ben op 1 januari begonnen en dat lukt – de meeste dagen zit ik erboven. Dat is een ritme dat me bevalt. Maar je moet streng voor jezelf zijn. Als je een uur hebt en je gaat drie kwartier rotzooien om in de stemming te komen, dan lukt het niet.”

Lijdt u eronder als u uw tijd niet nuttig besteedt?

„Ja. Daar word ik onrustig van. Ik vind dat heel onaangenaam.” Grunberg werpt een blik op de lijst met plaatsen waar hij in 2016 is geweest. „Kijk, ik zie ook wel dat een leven als dit ingewikkeld zou zijn met een gezin. Mijn leven is mogelijk omdat het gezin er niet echt is.”

U heeft een vriendin en een petekind. Dat is een soort gezin op afroep.

Grunberg lacht: „Een gezin op afroep, dat lijkt me op een bepaalde manier ideaal.”

Of gaat u zelf een gezin stichten?

„Ik zou wel een kind willen. Ik denk serieus na over een kind, ik ben van plan… Maar ik weet niet of ik dan echt radicaal anders zou gaan leven. Dus ik ben heel benieuwd hoe dat zou werken. Zelfs bij mijn moeder, met wie ik toch veel tijd heb doorgebracht, denk ik dat het misschien meer tijd had moeten zijn. Werk vreet veel tijd weg. Ik ben gedisciplineerd. Maar ik vraag me ook weleens af: zijn dit de juiste beslissingen? Kloppen de prioriteiten? Maar ja, kennelijk is dat zo. Tot nu toe.”

Discipline is zelfcontrole. Daar volgt uit dat uw systeem hangt op uw vermogen om u niet door anderen, kinderen of volwassenen, te laten controleren.

„Zeker. Ik ben er zeer allergisch voor als mensen mij de tijd niet laten bepalen.”

Zou u willen meemaken hoe het is om de controle kwijt te raken?

„Misschien wel. Maar als dat zou betekenen dat ik niet meer kan schrijven, wat zou dat met me doen? Zelfs op de meest intense momenten zit het schrijven in mijn hoofd. De paradox is natuurlijk dat ik graag over mensen schrijf die de controle verliezen, maar ik weet dus ook hoe het dan afloopt.”

Nu ja, dat denkt u te weten.

„Ik denk dat een eigen kind – eigenlijk is mijn petekind natuurlijk mijn eigen kind – om heel veel redenen goed voor me zou zijn. De meeste oudere mensen die ik ken mét kind zijn leukere oudere mensen dan die zonder. Maar ik denk ook, hoe raar dat ook klinkt, dat het voor mij als schrijver goed zou zijn. Om de redenen die ik net noemde. Ik ben al heel blij met de aanwezigheid van mijn petekind in mijn leven, dat mij toch soms dwingt om mijn prioriteiten anders te stellen. En omdat een kind heel goed als spiegel kan fungeren, nog veel meedogenlozer dan volwassenen. Ik zie aan hem hoe het is om nu twaalf te zijn.”

Hoe was u toen u twaalf was?

„Ik was een verlegen puber, later werd ik moeilijk en opstandig. Ik deed heel lang heel keurig mijn huiswerk. Als ik Griekse woordjes moest leren, dan leerde ik niet alleen de rijtjes, maar ook of de verschillende betekenissen door een komma of een puntkomma werden gescheiden. Misschien was ik heel autistisch. Het was een soort Duitse grondigheid.”

Met die techniek is op je vijftiende je hoofd misschien vol.

„Mijn petekind vindt leren moeilijk en absurd. Maar jij bent toch ook van school gegaan, zegt hij dan. Dan zeg ik dat dat veel later was – ik vind ook dat ik dat moet zeggen.”

Toch is het goed met u afgelopen. Waarom?

„Geluk speelt daar een rol in, al zou ik dat twintig jaar geleden nooit hebben gezegd. Ik wist dat ik iets wilde bereiken, al wist ik niet precies wat, en ik gaf niet op. Vorig jaar heb ik voor een boekuitgave mijn brieven uit die tijd teruggelezen. Ik herinner me mijn onzekere kanten, maar kennelijk was ik ook al heel overtuigd.”

U bleek wel wat te kunnen. En u was niet lui.

„Luiheid vind ik een vreselijke eigenschap. Dat is een van de weinige dingen waar ik bij mijn petekind echt boos om kan worden. Mijn vader verweet me wel dat ik nutteloze tijdschriften zat te lezen terwijl het ook Dostojevski had kunnen zijn. Er is me verweten dat ik opstandig was, dat ik de boel saboteerde, dat ik respectloos was, maar lui? Nee, dat nooit. Elke dag moet er iets worden gemaakt, dat is toch iets calvinistisch in me.”

Of iets voor een jood van de tweede generatie.

„Zo heb ik me nooit gevoeld. Ik weet niet hoe ik ben beïnvloed door de geschiedenis van mijn ouders. Ze hadden hoge verwachtingen van mij, ikzelf had die dus ook. Dan is het niet zo gek als er iets uit een kind komt. Sterker, het zou een ramp zijn geweest als het niets was geworden.” Grunberg stopt met lachen en zwijgt even: „Wat ik nog steeds niet kan geloven, is dat je ervan overtuigd kunt zijn dat het noodlot jou bespaard blijft.”