‘IS-strijders deden met me wat ze wilden’

Interview Parween Alhinto

Vier maanden lang zat Parween Alhinto met andere meisjes vast bij IS. Aan de lopende band werden ze misbruikt. „Ze gaven je gewoon door aan een ander.”

Parween Alhinto, die ontsnapte uit IS-gevangenschap. Foto David van Dam

Het had weinig gescheeld of de intussen 19-jarige Parween Alhinto was er niet meer geweest. Na maandenlange verkrachtingen door steeds wisselende strijders van Islamitische Staat stond ze op het punt zelfmoord te plegen. Sommige andere gevangen meisjes hadden dat al gedaan. „Via via kregen we een telefoon in handen”, vertelt Parween, „Ik belde een neef en vertelde hem dat ik er een eind aan wilde maken. Doe dat absoluut niet, zei hij. In plaats daarvan heb ik toen met een vriendin een ontsnappingsplan gemaakt.”

Die ontsnapping, midden in de winter, lukte en zo kan ze ruim twee jaar later bij het Amsterdamse debatcentrum De Balie haar verhaal doen aan deze krant. Parween hoort tot de yezidiminderheid uit het noorden van Irak, die een eigen godsdienst heeft, met zowel christelijke als islamitische elementen.

Voor de komst van IS naar hun gebieden leidden ze een rustig leven in het dorp Rambose. De yezidi’s leefden er in harmonie met lokale Arabieren. „Mijn vader werkte als bouwvakker voor Arabieren. Ik speelde met hun kinderen”, vertelt ze via een vertaler. „Maar toen IS op 3 augustus 2014 in ons dorp arriveerde, hebben ze ons verraden. De IS’ers wisten niet wie precies een yezidi was. De Arabieren hebben ons toen aangewezen. Dat kwam als een grote schok voor me.”

Lijdensweg

Het vormde het begin van een lijdensweg voor Parween en de andere yezidi’s uit het dorp. Parween werd met andere jonge meisjes, sommigen amper tien jaar oud, geselecteerd om mee te gaan met de IS-strijders naar Mosul, de stad die IS toen net in handen had gekregen. Daar werden ze verkracht en geruild als handelswaar. „Als ze genoeg van je hadden na drie of vier dagen, gaven ze je gewoon door aan een ander”, vertelt Parween, strak voor zich uitkijkend.

„We vormden een genietmoment voor de IS-strijders, als ze terugkwamen van het front”, zegt Parween. „Ze deden met ons wat ze maar wilden. Steeds maar weer werden we verkracht. Op een gegeven moment zeiden ze tegen ons: jullie moeten je douchen. Twee zusjes, Jilan en Jihan, hebben toen op de badkamer hun aderen doorgesneden. We zagen het bloed onder de deur stromen.”

„Een lief woord heb ik al die tijd van geen enkele IS-man gehoord. We werden vaak geslagen en moesten ook voor hen koken en hun kleren wassen. Bovendien moesten we steeds onder dwang de Koran lezen en bidden. Ze zeiden tegen ons: ons geloof staat ons toe dit te doen. Jullie zijn yezidi’s, jullie zijn van ons. En dan begonnen de verkrachtingen weer.”

Keuze

Toen ze eenmaal ontsnapt was, stond Parween voor de keuze: haar vernederende ervaringen stilhouden of in de openbaarheid brengen? Ze besloot naar Baba Sheikh, leider van de yezidigemeenschap, te stappen. „Hij zei: je hoeft niet bang te zijn. Dat betekende een grote opluchting voor me. De pijn is daardoor iets verzacht.”

Traditioneel zou een verkrachte en misbruikte jonge vrouw nauwelijks meer een man hebben kunnen vinden, maar de yezidigemeenschap (in totaal slechts zo’n 300.000 mensen) besloot de misbruikte vrouwen bij uitzondering niet te stigmatiseren. Ook uit zelfbehoud. Als 3.000 tot 4.000 jonge vrouwen, die door IS werden geroofd, zouden worden uitgesloten, zou het voortbestaan van de yezidi’s in gevaar kunnen komen.

Het leed dat IS de yezidi’s berokkent, is nog niet voorbij. „In totaal zijn 44 leden van mijn familie in handen van IS geraakt. Van ruim de helft van hen heb ik niets meer gehoord. Ook niet van mijn ouders.” Graag ook zou Parween een behandelcentrum zien komen voor meisjes zoals zij in Noord-Irak. Ze hoopt dat de Nederlandse overheid kan helpen om dat te verwezenlijken.

Nog steeds wordt Parween achtervolgd door haar traumatische ervaringen. Ze kan er vaak niet van slapen en heeft regelmatig nachtmerries. „Die beelden van mannen met baarden, die me misbruikten, blijven in mijn hoofd zitten. Ik hoop erg dat de mannen die me dit hebben aangedaan worden opgepakt en berecht.”