Column

Inkomensongelijkheid neemt hier niet toe

Met zijn mooie boek heeft Thomas Piketty inkomensongelijkheid op de politieke agenda geplaatst. Weliswaar heeft de opkomst van eerst China en nu India de inkomensverdeling tussen landen veel gelijker gemaakt: ruim eenderde van de wereldbevolking heeft in amper dertig jaar tijd de stap gemaakt van bittere armoede naar een middenklassebestaan. Dat is een sociaal-economische omwenteling van ongekende omvang. Tegelijk zie je dat in een aantal landen de inkomensverschillen snel toenemen. Als we landen met een pregnante geschiedenis van racisme en slavernij, zoals Zuid-Afrika en Brazilië, buiten beschouwing laten, steken de Verenigde Staten daar met kop en schouders bovenuit (overigens ook daar een slavernijverleden). Vroeger kon je je schouders ophalen over de verdiensten aan de bovenkant. Die paar hoge inkomens maakten voor het grote plaatje niet uit. In Amerika kan dat niet meer: de top verdient daar zo veel, dat er voor de rest weinig overblijft. Zoals Piketty liet zien, verdient de top-1-procent daar sinds 1994 meer dan de onderste 50 procent. De top-1-procent verdient nu 20 procent van het totale inkomen waar de onderste 50 procent het met 12 procent moet doen; in 1980 was dat nog omgekeerd. Het maakt duidelijk hoe snel maatschappelijke verhoudingen kunnen veranderen.

Ook in Nederland is de inkomensverdeling een politiek thema. In brede kring leeft de indruk dat de verschillen de afgelopen twintig jaar sterk zijn toegenomen. De ophef over de salarissen van directeuren van net geprivatiseerde elektriciteitsbedrijven, woningcorporaties en ziekenhuizen heeft daar ongetwijfeld toe bijgedragen. Een WRR-studie (2014) concludeerde dat de inkomensongelijkheid toenam. Bij nadere beschouwing van de gegevens bleek dat echter alleen in de jaren tachtig zo te zijn. Mag je als WRR zo rapporteren? Ook schreef de WRR dat de vermogens in Nederland ongelijker verdeeld zijn dan elders. Dat bleek echter vooral het gevolg van de daling van de huizenprijzen rond 2012. Op de Forbes-lijst van miljardairs neemt Nederland een zeer bescheiden plaats in: per hoofd van de bevolking een van de laagste in Europa, lager dan Zweden bijvoorbeeld. De zorgvuldigste studie naar topinkomens in Nederland is gedaan door Bas Jacobs, Egbert Jongen en Floris Zoutman voor het Centraal Planbureau. De studie is gebaseerd op de complete belastingadministratie; Piketty legt voortdurend uit dat alle andere data tot (forse) onderschatting van de inkomensongelijkheid leiden. Volgens Jacobs c.s. verdient de top-1-procent in Nederland ongeveer 5 procent van het totale inkomen (in de VS is dat dus vier keer zo veel). Daarin is de afgelopen dertig jaar niets veranderd. It is lonely at the top in Nederland concludeert Jacobs. Alleen in Denemarken zijn er nog minder topinkomens.

Ik ken maar één studie die tot een tegengestelde conclusie komt: het jaarlijkse onderzoek van de Volkskrant naar de salarissen van CEO’s. Dat onderzoek concludeert jaar in, jaar uit dat die salarissen harder stijgen dan die van de gemiddelde Nederlander. Het onderzoek ziet er zorgvuldig uit. Ik heb me regelmatig het hoofd gebroken waarom de conclusie van dat onderzoek zo afwijkt van die van Jacobs c.s. Ik vermoed dat de belangrijkste verklaring ligt in het feit dat de Volkskrant alleen kijkt naar CEO’s die op hun post blijven zitten. Dat leidt tot een vertekening omdat hun opvolger vaak begint met een lager salaris.

Waar moet het straks bij de formatie over gaan? De inkomensverdeling lijkt mij dus geen heet onderwerp. Nederland is al goed platgeslagen. De energietransitie en de voortwoekerende discriminatie van de islam in Nederland lijken me veel belangrijker thema’s. Daar mag aan de formatietafel nog eens een hartig woordje over worden gesproken.

Coen Teulings is econoom en hoogleraar in Cambridge en Amsterdam