Een aartsengel in het Utrechtse nachtleven

Fred van de Woo

Hij is verknoopt met het zorgeloze Utrechtse studentenleven. Na 40 jaar portieren bij discotheek Woolloomooloo gaat Fred Prang met pensioen.

Ooit was hij overdag loodgieter. Maar Fred Prang is voor zeer velen toch vooral dé portier van de Utrechtse studentendiscotheek Woolloomooloo. Daar zorgde hij meer dan veertig jaar dat ‘de Woo’ een van de veiliger uitgaansplekken van Nederland bleef.

Zelf is hij geheelonthouder, en slapeloze adhd’er. „Het is geen werk, het is een roeping”, beweert hij. „Ik ben de messias van de veiligheid.”

Maar het werk, van de vroege avond tot het ochtendgloren, werd te zwaar. Zijn taken worden geleidelijk overgenomen door boksvriend Richard.

Fred hoort bij de zorgeloze laatste decennia van de vorige eeuw. Toen beurzen nog riant waren en studies eindeloos gerekt mochten worden. Iedereen kent Fred en Fred, met zijn fotografisch geheugen, kent iedereen, ook na tien of twintig jaar. Oudere corpsleden – de Woo wordt geëxploiteerd door het aanpalende USC – dragen hem op handen. De vereniging viert Freds veertigjarig jubileum op 16 juni groots. Eerst op de sociëteit met een diner en een receptie, en daarna met een ouderwetse Woo-avond, voor iedereen die Fred kende.

Een eerbetoon aan een professional. Want hoe onrustig ook de nacht, Fred bleef altijd correct. Legde met engelengeduld het gecompliceerde toegangsbeleid uit. Intimi konden vervolgens altijd terecht in zijn portiershokje, waar Fred beeldend zijn mening gaf over een veelheid aan onderwerpen: van het buitenaardse en het paranormale tot de roemruchte leden van de Prang-dynastie, naar zijn zeggen voortkomend uit Poolse landadel en Duitse keurvorsten. Ja, zelfs een reïncarnatie van de aartsengel Gabriël beweert Fred te zijn, geroepen tot het scheiden van goed en kwaad.

Ooit stond de dalai lama in zijn hokje, na een lezing bij de buren. En tegen onze koning, die als student met enige regelmaat langskwam, mag hij ‘Alex’ zeggen.

In 2004 kreeg Fred een lintje. Dat komt hem zeker toe, want verdiensten bij het Pannelappenmuseum of een duivenmelkersclub zijn toch iets anders dan in het holst van de nacht voor je functie op de vuist moeten.

Met name tegen verdovende middelen vecht Fred al zijn leven lang, soms letterlijk. „Probleem met drugs is dat de gebruikers soms agressief worden, maar geen pijn voelen”, stelt hij: „En dus ook niet ophouden met vechten.”

Desondanks was Freds ingrijpen altijd van een zen-achtige beheersing: net genoeg om effectief te zijn. „Anderen slaan dóór, zeker als ze eenmaal zelf geslagen zijn. Maar ik kon me gelukkig altijd inhouden”, vertelt hij. Verwondingen toebrengen deed hij met tegenzin, verzorgen met liefde. In een ander milieu ter wereld gekomen had er een arts uit hem kunnen groeien. Een oudgediende vertelde dat Fred als EHBO’er herhaaldelijk ernstige blessures – door valpartijen of gebroken glas – zó kundig behandelde, dat hij ongetwijfeld ledematen, of mogelijk levens redde.

De laatste tijd neemt Fred zelfs weleens vakantie. Onlangs belde hij midden in de nacht euforisch op. „Ik sta in Berlijn”, schreeuwde hij. „Op de Reeperbahn! Het is prachtig, al die lichtjes!” Ik begon te vermoeden dat er iets niet klopte, en vroeg hoe hij daar beland was. Al snel bleek hij alleen ‘Reeperbaan’ in zijn tomtom te hebben ingetoetst. „Fred”, zei ik: „Je bent in Hamburg”.