‘We speelden legertje tegen verzetsstrijders’

Westelijke Jordaanoever Fotograaf Dirk-Jan Visser portretteerde tijdens de Tweede Intifada een groepje Palestijnse jochies. Hoe gaat het vijftien jaar later met hen?

Inwoners van het vluchtelingenkamp Jenin, van links naar rechts Qusai, Redwan, Garabah (zittend), Qais en Jehad, op de foto in 2002. Foto’s Dirk-Jan Visser

Als een van de eersten zag de Nederlandse fotograaf Dirk-Jan Visser in 2002 de ravage in Jenin. Op 11 april kwam hij aan bij het vluchtelingenkamp, vlak nadat het Israëlische leger zich na een strijd van elf dagen had teruggetrokken. Het was een gevecht waarin geboobytrapte huizen het moesten afleggen tegen gepantserde bulldozers van de Israëliërs.

„De chaos, ellende en reddeloosheid waren onbeschrijfelijk”, zegt Visser. „Alsof een grote hand een greep uit het kamp had genomen, niks stond meer overeind. Ik liet me leiden door de mensen die ik tegenkwam, vooral kinderen. Zij lieten mij de verwoestingen en chaos zien. Een paar van die foto’s zijn me altijd bijgebleven, van een clubje vrienden die op straat soldaatje speelden. Ik maakte verschillende foto’s van ze.”

Op een van de foto’s kijken vijf jochies met stokken als geweren breeduit lachend in de camera. De jongen linksboven heeft een halve voetbal op zijn hoofd, als helm. De kleinste van het stel, die in het midden staat, richt zijn loop op de camera. De anderen steken hun geweren de lucht in, alsof ze de overwinning vieren. Twee jongens maken een vredesteken. Onder aan het beeld piept nog net een klein, opvallend donker jochie het kader in. Deze jongens namen Visser op sleeptouw, door hun buurt, naar hun kapotte huizen.

Hoe kijken de kinderen van toen, die nu midden twintig zijn, terug op het voorjaar van 2002? En hoe gaat het nu met ze? Leven ze überhaupt nog? Zijn ze nog vrienden? En hoe ziet het kamp er nu uit? Met Vissers oude zwart-witfoto’s in de hand zoeken we hen op.

De jongens van Jenin in 2002 en 2017. Verschuif het witte balkje om het verschil tussen toen en nu te zien.

 

Officieuze kampbaas

Waar begin je zo’n zoektocht? In het kamp wonen zo’n veertienduizend mensen. Hoewel de vluchtelingenkampen onder de Verenigde Naties vallen, blijken we aan een officieuze kampbaas uit de lokale gemeenschap toestemming te moeten vragen om er te mogen werken.

De kampbaas, Mohammed Sabbagh, zit achter een groot bureau. Er staat een vergadertafel in zijn kantoortje, aan de muur hangen foto’s van Yasser Arafat. We laten hem de foto zien. Sabbagh herkent de jongens niet, zegt hij, want hij heeft zelf 25 jaar in de Israëlische gevangenis gezeten wegens betrokkenheid bij de Eerste Intifada. Pas onlangs is hij vrijgekomen.

Sabbaghs assistent schiet te hulp: hij herkent de donkere jongen op de foto. Dat jongetje blijkt Garabah (‘de neger’) genoemd te worden en nog in het kamp te wonen. De assistent geeft ons zijn nummer. Wanneer we Garabah bellen, klinkt hij wantrouwig. Dat geldt voor wel meer mensen in het kamp: wie van buiten komt, wordt niet snel vertrouwd. Als er iemand komt die ze niet kennen, vragen ze zich al snel af wie het is, of hij soms van de Palestijnse Autoriteit is, wat hij van ze moet. Maar Garabah komt toch. Hij blijkt om de hoek te wonen.

Als ik toen ouder was geweest was ik zeker geëindigd als martelaar, of in de gevangenis beland.

Garabah

Garabah kijkt naar de foto. „Hé, dat is Qais.” Hij pakt zijn telefoon, op zoek naar foto’s van de andere vier. Blijkbaar kent hij ze nog. Qais komt aan en belt de volgende: Redwan. Ook hij komt langs. Hij zegt dat hij Visser herkent van die lentedag in 2002: „Je was veel jonger en dunner.” Als laatste komt Qusai, de broer van Qais, aanlopen. Alleen Jehad ontbreekt nog. Die zoeken we op tijdens zijn werk, bij Palestine Fried Chicken in het centrum van Jenin.

Wat herinneren ze zich van de Slag om Jenin?

Vooral de raketten hebben veel indruk gemaakt op de jochies. Zo noemt Garabah de vier Israëlische vliegtuigen die elke twee à drie minuten raketten afvuurden. Qais herinnert zich hoe dokter Khalil Sliman, het hoofd van de Rode Halve Maan in de regio Jenin, met een paar anderen in een auto vlak achter zijn huis getroffen werd. „Ik hoor nog de geluiden van de raket en het gegil. De dokter is een martelaar geworden. Later vond ik in het puin een vinger, met de ring van dokter Sliman er nog omheen.”

Iconen van het verzet

Zowel Jehad als Redwan verbleef tegen het eind van de operatie tijdelijk buiten het kamp, omdat hun ouders hadden gehoord dat de Israëliërs het helemaal zouden vernietigen. Toen de moeder van Redwan hoorde dat de Israëliërs vertrokken waren, kleedde ze hem aan en gingen ze terug. Daar trof hij uiteindelijk zijn vier vrienden, op de dag dat ook Visser het kamp bereikte. Redwan: „Ik kan me de foto’s nog heel goed herinneren. We deden de iconen van het verzet in het kamp na.”

Qusai: ,,We speelden legertje tegen de verzetsstrijders. Er waren twee teams: een dat de Joden moest voorstellen en het andere team waren de Arabieren.” Tijdens de strijd, zegt Qusai, was er niets te doen geweest in het kamp. „Geen school, niets. We waren blij dat we na afloop weer konden spelen.”

Garabah: „We waren toen nog heel jong en school was verplicht. Oudere jongens zijn denk ik gestopt met school omdat ze te druk waren met de situatie. Als ik toen ouder was geweest was ik zeker geëindigd als martelaar, of in de gevangenis beland.”

Jehad: „We droomden ervan om te worden zoals de mannen die het kamp verdedigd hadden.” Maar het kamp is nooit meer hetzelfde geworden, zegt Qais. „Er waren niet zo veel strijders meer als voorheen. En de bewoners waren murw geslagen.”

De overwinning van Israël tijdens de Zesdaagse oorlog schiep een zionistisch messianisme dat Israël sindsdien in een houdgreep heeft, schrijft Salomon Bouman. Lees zijn opiniestuk: Zes dagen oorlog, vijftig jaar beklemming

Misschien wel als gevolg daarvan zijn de levens van de jongens tegenwoordig eigenlijk verrassend gewoontjes.

Qais Ibrahim Ahmad Sammour, de jongste van het stel, is nu 22. Hij betreurt dat hij niet naar de universiteit is gegaan. In plaats daarvan is hij muzikant. Om de kost te verdienen, werkt hij daarnaast in een parfumerie.

Hij mag dan hebben gedroomd van een leven als strijder, Jehad Mohanad Abu Al-Hezah (23) is vierdejaarsstudent accountancy aan de Al-Quds Open University. Ook de 24-jarige Garabah – echte naam: Mohamad Yousef Qasim Wehdo – heeft gestudeerd: bestuurskunde, aan de universiteit in Tulkarem. En Redwan (25), die luistert naar de naam Adwan Mahmoud Hussein Yacoub, studeerde vier jaar aan het militair instituut in Jericho. Tegenwoordig is hij officier bij de preventieve veiligheidsdienst in Nablus.

Qusai Ibrahim Sammour (26) werkt als tandtechnicus, samen met zijn vader. Net als de anderen woont hij nog in het vluchtelingenkamp – dat nog steeds zo heet, hoewel er geen tentjes staan maar stenen huizen. In de toekomst, zegt Qusai, wil hij hetzelfde als zijn kameraden: werk, een huis en, als God het hem gunt, trouwen. „Laat de toekomst aan de toekomst over, je weet toch niet wat er zal komen.”

Bekijk ook de fotoserie: Jeruzalem in 1967 en nu

Muren vol graffiti

Vijf jaar na de verwoestingen, toen de jongens pubers waren, is het kamp weer opgebouwd. Van de kraters van toen is niets meer te zien. De muren van de tien jaar oude gebouwen zijn al weer volgeschreven met graffiti, vooral refererend aan de martelaren van 2002.

Toch is de wond van operatie ‘Beschermend Schild’ nog niet geheeld. Ironisch genoeg is juist bescherming tegenwoordig de grootste zorg voor de kampbewoners, aldus de VN. Zowel Israëlische als Palestijnse veiligheidstroepen voeren geregeld operaties uit in het kamp, die vaak uitmonden in rellen en geweld. In 2014 werden er vier vluchtelingen gedood tijdens deze operaties. Volgens de VN heeft dit geweld „een significante impact op het emotionele en psychosociale welzijn van vooral jonge kinderen”.

Zo bezien zijn de vijf jochies van toen, met hun houten geweren in de Tweede Intifada, opmerkelijk goed terechtgekomen. Misschien wordt dit nog wel het best gereflecteerd door de opmerking van Garabah als Visser hem vraagt of hij het goed vond om de foto van de vriendengroep opnieuw te nemen.

Dat wil ik wel, zegt Garabah. „Maar dan zonder wapens.”

Dit verhaal is onderdeel van de webdocumentaire The Holy Road van Derk Walters en Dirk-Jan Visser. Lees ook deel 1: Het leven van Joodse pubers in een kolonie, omringd door Palestijnen