We moeten meer leven als een beest

Natuur De Britse dierenarts en advocaat Charles Foster leefde als das, otter, vos, hert en gierzwaluw. „Als we niet de natuur ingaan, worden we ziek.”

Op een zachte oktoberavond zag Charles Foster in Londen twee vossen die in het gras als „stille stofzuigers” langpootmuggen aan het oplikken waren. Foster ging op zijn knieën naast de vossen liggen om mee te grazen. De muggen waren best te eten, schrijft hij in zijn boek Leven als een beest. „Stel je kriebelig snoeppapier voor dat in vanilleslijm verandert.”

Het was niet de eerste keer dat Foster (55), in Cambridge afgestudeerd advocaat en dierenarts, een stadsvos probeerde na te doen. Hij scharrelde regelmatig uit vuilnisbakken zijn eten bij elkaar, sliep in tuinen en de berm van snelwegen – zijn oren gespitst om het gepiep van woelmuizen of de vleugelslag van roeken op te vangen.

In Leven als een beest schrijft Foster over zijn pogingen te leven als vijf verschillende dieren: een vos dus, en een das, een otter, een edelhert en een gierzwaluw. Het leverde een vermakelijk en leerzaam boek op, mooi geschreven bovendien. „Dit is wat je krijgt als je Julian Barnes zou achterlaten in een bos met slechts een mueslireep en een scherpe stok”, schreef de recensent van The New York Times lovend.

Volgens Foster zijn de grenzen tussen mens en dier vanwege „de intieme voorouderlijke band” poreuzer dan we denken. Hij wil die grens zo dicht mogelijk naderen. „Ik wil weten wat het betekent om een wild dier te zijn”, zegt hij in de inleiding. „En misschien valt er achter te komen, met behulp van de neurowetenschappen, een snufje filosofie en een forse scheut poëzie. Maar bovenal door de hachelijke afdaling in te zetten van de evolutionaire stamboom naar een hol in de Welshe heuvels en de rotsen in een rivier in Devon.”

Om te leven als das graaft Foster met zijn zoontje Tom een tunnel in de Zwarte Bergen van Wales, waar Foster na Toms vertrek in totaal zes weken zal verblijven. Ze leven ’s nachts, navigeren de omgeving net als dassen met hun neus, wassen zich in de rivier en voeden zich met wormen en van de snelweg geschraapte roadkill, gebakken met wilde knoflook. „Je went eraan,” zegt Foster laconiek. „Tom vond er niks ongewoons aan.”

Als otter leeft Foster in de rivieren van zuid-west-Engeland. In de westelijke Hooglanden van Schotland kijkt hij tussen de edelherten naakt en huiverend naar het uiteen drijven van de wolken en sterft hij nét niet van de kou. Ook laat hij zich opjagen door een bloedhond om te ervaren hoe het voelt om prooi te zijn. In het laatste hoofdstuk volgt hij de gierzwaluwen op hun trek van Groot-Brittannië naar West-Afrika. Hij klimt in hoge bomen om de luchtstromen in kaart te brengen die het eten meevoeren waarop gierzwaluwen foerageren: bladluizen, spinnen, kevers. „Een gelukzalige, betoverende manier om de dag door te brengen.”

„Wij worden omringd door miljoenen verschillende werelden”, schrijft Foster. „Die verkennen is een machtige neurowetenschappelijke en literaire uitdaging.”

Gevaarlijke plekken

Aan de Universiteit van Oxford geeft hij les in medisch recht en medische ethiek. Hij schreef tientallen boeken op het gebied van theologie, biologie, archeologie en recht, volgens Foster zelf „aanmatigende en onsuccesvolle pogingen de vragen te beantwoorden wie en wat we zijn, en waarom we eigenlijk op aarde zijn.”

Foster, lachend in zijn werkkamer in Oxford via Skype: „Deze zoölogische method acting is natuurlijk een kwestie van epistemologie: de filosofische zoektocht naar wat we kunnen weten. Kunnen we de wereld en de ander echt leren kennen of zitten we opgesloten in de constructie van ons eigen brein? Mijn antwoord: ik denk dat er wel degelijk een objectieve wereld bestaat en dat we er veel meer over te weten kunnen komen door gewoonweg onze zintuigen te gaan gebruiken. Wij gebruiken voornamelijk ons zicht, maar we krijgen veel meer informatie als we net als dieren ook ons gehoor-, reuk- en tastvermogen zouden aanscherpen.”

Als klein kind was Foster al gefascineerd door de „wonderbaarlijke ontoegankelijkheid van alle wezens”. Zo was hij geobsedeerd door de vraag wat er omging in de merel in zijn achtertuin. Op zijn nachtkastje stond een merelbrein in formaline.

Volgens Foster begint ieder kind met een fascinatie voor de natuur. „Alle jonge kinderen (Foster heeft er zes) scharrelen als je ze met rust laat rond op handen en voeten. Ze praten met hun knuffels, houden van sprookjes met pratende dieren, ze zijn allemaal vanaf de geboorte naturalisten. Als we opgroeien denken we stom genoeg dat we ons moeten losmaken van die natuurlijke wereld, met als gevolg dat we volledig in de war raken. Kijk om je heen hoe mensen er psychisch aan toe zijn.

„Een vraag die me steeds gesteld wordt, is: ‘Werd je niet ziek tijdens al die avonturen?’ Onze immuunsystemen zijn ontworpen voor bossen, moerassen en oevers. De echt gevaarlijke plekken zijn kantoren en hotels met airconditioning. Eigenlijk ben ik de enige normale hier, ik doe namelijk wat de mensheid het grootste deel van de geschiedenis deed om te overleven. Vraag aan iemand in de Kalahariwoestijn: ‘Zou je acht uur per dag achter een laptop willen zitten?’ Hij zou antwoorden: ‘Je bent krankzinnig, dat zou mijn dood betekenen’.”

Staat van verdoving

We zijn volgens Foster verziekt geraakt door het moderne leven. Wat hij tijdens zijn excursies als stadsvos in de huizen en flats zag, kwam overeen met wat hij in de vuilnisbakken aantrof: uniformiteit. Iedereen in de Londense stadswijk at hetzelfde, keek naar hetzelfde tv-programma. Een magere, vervreemde manier van leven. „Toen ik in Londen woonde, verkeerde ik bijna in staat van verdoving,” schrijft Foster. „Er werd me voortdurend gezegd dat het hier allemaal gebeurde; hier werd het echte leven geleid. Soms kon ik vaag merken dat er inderdaad iets gebeurde, maar het was veraf, wazig, gedempt, alsof ik van grote hoogte door troebel zeewater omlaag keek.”

Nee, dan het leven van de stadsvossen, „wezens waar het leven van afspatte”. Geen vos keek naar hetzelfde als een andere vos, het dieet bestond naast weggegooide pizza ook uit trage vogels, meikevers, nachtvlinders, ingevlogen uitheems fruit. De vossen zagen, hoorden en roken de echte wereld.

De getemde, van zijn natuur vervreemde mens, het is een groot thema voor Foster. „Domesticatie laat alles verschrompelen. In het tijdsbestek van een paar generaties zijn we aan sclerose lijdende superspecialisten geworden in een niche zo krap dat we onze benen niet kunnen strekken en ons brein niet kunnen laten draaien. Ik durf te wedden dat de keuzes van vossen hun brein groot en bezig houden en hun poten van staal, terwijl wij onszelf amper nog van de bank kunnen hijsen.”

Natuurlijk kunnen we niet allemaal in een hol gaan leven, maar de geruststelling dat de natuur op ons ligt te wachten, zou volgens Foster een grote troost moeten zijn als we gedwongen zijn op plaatsen te verkeren „waar het ruikt naar angst, uitstoot en ambitie”.

Op de vraag of hij, nu het boek af is, nog steeds regelmatig in het bos gaat slapen, antwoordt hij verbaasd: „Maar natuurlijk, waarom niet? Het is ontzettend therapeutisch en plezierig om te doen.”

Charles Foster: Leven als een beest. Uitg Signatuur, 288 blz, 19,99 euro.