Column

Om een geest zit niet altijd een mens

Fontenay-aux-Roses is een gemeente aan de zuidwestkant van Parijs. De dromerige schilder Pierre Bonnard werd er geboren. Een lief liefdesliedje van Maxime Le Forestier gaat erover: de zanger raakt er verliefd op alle mooie meisjes van het meisjespensionaat. En in 1266 werd een baby in Fontenay-aux-Roses vermoord en opgegeten door een varken.

Fontenay-aux-Roses spookt soms door mijn gedachten. De kostschoolmeisjes lopen er in hun blauwe schooluniformen zoet en zwoel voorbij. Parfumées et fleuries, zingt Le Forestier. ’s Avonds liggen ze naakt in bed, ze lezen romans om daarna te kunnen dromen over het onbekende. Ook de schilder Bonnard droomt in Fontenay-aux-Roses, over zijn schilderijen, en daarna schildert hij ze. Hij schildert zijn vrouw Marthe in bad. Bloemen en vruchten. Parfumées et fleuries.

En dan dat varken dus. Er is ook iets liefelijks aan dat varken. Niet aan zijn gruweldaad, of aan zijn straf, maar aan de middeleeuwse droom van het recht, die het varken voor de rechter heeft gebracht. Nu ik zijn zaak toevallig ergens tegenkom, blijkt Fontenay-aux-Roses vooral bekend te zijn omdat dit het oudst bekende strafproces is waarin een ander dier dan een mens terecht heeft gestaan. De monniken van Sainte Geneviève hebben het varken aangeklaagd wegens moord, ze hebben recht over hem gesproken en hem veroordeeld.

Er zijn tal van manieren om de wereld te begrijpen. Onze eigen manier kennen we wel. Maar er zijn andere tijden dan de onze, andere dieren dan wijzelf, en in de geschiedenis van de planeet kruisen de verschillende intelligente systemen elkaar geregeld. Zo kan een varken op ons rechtsstelsel botsen en wetten overschrijden die het niet kent; op andere momenten struikelt de mens over kennis die hij niet bezit, maar die kwallen of paddestoelen misschien glashelder voor ogen staat.

De menselijke geest is nu eenmaal niet de enige vorm van intelligentie in het universum. Vraag cognitiewetenschappers er maar eens naar: die komen aanzetten met de geest van varkens en wolven, de geest van robots en software, het innerlijk leven van aliens, de intelligentie van mogelijke existenties die zich elders, in niet-gerealiseerde delen van de geschiedenis, hebben ontwikkeld. Ze ratelen opgewonden over halve geesten en zelfs over systemen met dubbele geesten. Want wat is een geest? Zoiets als ingedaalde-intelligentie-met-kennis-van-de-omgeving. Daar hoeft dus niet altijd een mens omheen te zitten.

Al in de Middeleeuwen namen mensen een varken voldoende serieus om zijn geest te erkennen. Zoals ze ook de geest van kakkerlakken voldoende waardeerden om hen te berechten. Ze wilden niemand in het dierenrijk veroordelen zonder eerst de verdediging te horen, en dus kwamen er advocaten voor termieten, beren, bijen, kraaien en honden. Er werd onschuld bewezen, er werden verzachtende omstandigheden aangedragen, er was speciaal recht voor jeugdige delinquenten. In 1457 werden zes biggetjes, na het opeten van een vijfjarig jongetje, ontslagen van rechtsvervolging en ze kwamen onder voogdij van de staat.

De middeleeuwers hadden alleen nog niet door waarin de geest van een biggetje verschilt van die van de mens. Andermans geest erkennen is één ding. Zien dat die geest anders werkt is een tweede. Maar de beschaving schreed verder. De abdij van Sainte Geneviève mondde uit in de universiteit van Parijs. De meisjesschool van Fontenay-aux-Roses werd een vooraanstaand onderzoekscentrum. Kennis groeide. En intussen zijn we in onze tijd wel zo ver dat het ons lukt de eigen intelligentie te erkennen van programma’s, dieren, ecosystemen. Intelligentie die niet meer of minder is dan die van de mens, maar anders.

Je kunt naar het verleden kijken om bezorgd te worden over de toekomst. Maar vandaag kijken we naar het verleden om opgewonden en nieuwsgierig te worden over de toekomst. Wat zullen zoölogische systemen en kunstmatige systemen straks in hun hoofd halen? Hun geest werkt immers heel anders dan die van ons. Niet beter of slechter, maar anders. En als de mens in de Middeleeuwen op het idee kon komen om beren voor de rechter te brengen, kunnen beren ook wel eens iets aardigs verzinnen voor ons. Wij mogen goed zijn in rechtspraak, het Internet-van-Alles is weer uitzonderlijk goed in iets anders, en wie weet wat het met ons gaat doen.

Af en toe probeer ik me een voorstelling te maken van andere intelligenties, die de wereld gaan domineren. Zouden ze voldoende beseffen hoe duizendvormig mensen bloeien en hoe lekker ze ruiken? Parfumées et fleuries? Soms spoken optimistische visioenen door mijn hoofd van kakkerlakken of autonome robots die ’s avonds laat in bed lieve liedjes liggen te zingen over ons.

Maxim Februari is jurist en columnist. Deze column is wekelijks.