Mythe of waarheid: wat de statistiek zegt over millennials

Millennials duiden: een favoriete hobby van veel mensen. Wat zegt het CBS over deze vijf aannames?

Jonge vakantiewerkers in het Dolfinarium. Foto Remko de Waal/ANP

Ruzie over de millennial: het is onderhand één van de meest uitgekauwde onderwerpen op internet. Heeft de generatie – met geboortejaar 1984 tot 2000 – het nu echt zo slecht, of wordt er vooral veel gezeurd over economische problemen waar iedereen last van heeft, ongeacht leeftijd?

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) pakte dinsdagochtend uit met een uitgebreide productie over het wel en wee van twintigers in Nederland. We checkten een aantal bekende beweringen over millennials aan de hand van deze cijfers.

  1. Millennials wonen langer thuis en kopen minder vaak een huis

    Wonen millennials langer thuis? Ja, blijkt uit onderzoek van het CBS. In 2006 telde Nederland 951 duizend twintigers die het ouderlijk huis nog niet verlaten hadden. Dat aantal was in 2016 gegroeid tot 1,1 miljoen. Vooral het aantal 23-jarigen dat thuisblijft steeg in die periode.

    Dat komt voor een deel omdat minder jongeren op kamers gaan als ze gaan studeren, zegt CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen. De afgelopen jaren liep het aantal studenten op, van wie een groot deel gewoon thuis bleef wonen. Ook keerden zo’n 77 duizend twintigers in deze periode terug naar het ouderlijk huis.

    Is dat een indicatie dat het slecht gaat met de financiën van de millennial? Als je kijkt naar het aantal financieel zelfstandigen, valt dat wel mee. Op 27-jarige leeftijd verdienen negen op de tien werkende millennials meer dan het bijstandsniveau. Die vertrekken dan ook uit het ouderlijk huis: 83 procent van alle 27-jarigen woont niet meer thuis, iets minder dan de 86 procent uit 2006.

    Toch kopen millennials minder vaak een huis, schreef onder andere The Atlantic. Klopt dat dan wel?

    Het lijkt voor de crisisjaren wel op te gaan: in 2009 bezaten vroege twintigers bijvoorbeeld 34.800 woningen, in 2012 was dat aantal gedaald tot 28.800. Maar dat is een algemene trend die voor mensen van alle leeftijden geldt. “Je zag een daling in bijna elke leeftijdscategorie”, nuanceert Van Mulligen. “Maar sinds het einde van de crisis zijn ouderen bezig aan een inhaalslag: ze kopen meer woningen dan dat ze dat vóór de kredietcrisis deden.”

    Het aantal twintigers dat een huis koopt liep ook weer op, maar niet zo rap: het bevindt zich nu op hetzelfde niveau als voor de crisis. Millennials kopen dus niet zozeer minder woningen – oudere generaties kopen er op het moment gewoon meer dan vroeger, concludeert Van Mulligen.

    Deels als gevolg van deze ontwikkeling steeg de gemiddelde leeftijd van een woningeigenaar de afgelopen twintig jaar significant, van 34,6 jaar oud in 1995 tot 39,4 jaar in 2016.

  2. Millennials krijgen minder snel een vast contract

    Zitten millennials vast aan flexcontracten, of stromen ze zoals RTL-Z journalist Roland Koopman schrijft sneller door naar vaste contracten dan ouderen?

    Dat ligt er aan op welk moment je meet. Bijna 30 procent van 25 tot 35-jarigen en 20 procent van alle 15 tot 25-jarigen stroomden in de drie jaar na 2012 door van een flexcontract naar een vast contract. Voor ouderen van boven de 55 was dat inderdaad significant minder: 17,6 procent.

    Maar in 2007 was de situatie een stuk rooskleuriger voor twintigers. Toen stroomde meer dan 40 procent van alle 25 tot 35-jarigen door van een flexcontract naar een vast contract. Na de crisis zakte dat cijfer met een rotvaart in.

    In vergelijking met vijftigers krijgen twintigers dus sneller een vast contract – maar niet in vergelijking met twintigers vóór de crisis. Het aantal 25 tot 35-jarigen dat doorstroomde naar een vast contract kelderde met 11,8 procentpunt tussen 2007 en 2012.

    Van Mulligen wijst er op dat twintigers over het algemeen minder vaak een vast contract hebben dan tien jaar geleden. Nu hebben 23 procent van alle 23-jarigen bijvoorbeeld een vast contract – in 2007 was dat 45 procent.

    Schuld van de crisis? “Die heeft zeker niet geholpen”, zegt Van Mulligen, “Maar dit is een trend die ook al vóór de crisis begon.” Mensen studeren langer. Het moment waarop een twintiger op de arbeidsmarkt belandt wordt zo vooruitgeschoven. “En een eerste contract is vaak een tijdelijk contract.”

  3. Millennials kampen met een hogere studieschuld
  4. De studieschuld schiet omhoog. In maart trok het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) aan de bel vanwege de oplopende totale schuldlast van studenten en oud-studenten.

    “Wij merken dat de studieschuld gemiddeld per persoon even hoog is gebleven”, zegt Van Mulligen. “Er zijn nu echter meer huishoudens met een studieschuld.” Het gaat om 900.000 huishoudens met een studieschuld in 2015. In 2011 waren dat er nog 675.000.

    Van Mulligen verwacht dat het cijfer in de toekomst gaat stijgen vanwege de invoering van het leenstelsel.

  5. Millennials hebben geen geld voor luxegoederen
    “Waarom kopen millennials geen diamanten?” kopte The Economist in 2016. Geen geld, was de conclusie.

    Volgens het CBS loopt het gemiddelde huishoudensinkomen van twintigers terug. Tot 2005 liep de ontwikkeling van het gemiddelde inkomen van een huishouden vol twintigers ongeveer gelijk op met dat van een huishouden met dertigjarigen. Daarna zakte het langzaam in.

    Twintigers in 2005 verdienden nog 1.800 euro minder dan een werkende dertiger, in 2014 was dat verschil opgelopen tot 3.500 euro. Dat komt deels door de crisis, maar ook omdat jongeren steeds langer en later studeren. Twintigers houden ook nauwelijks geld over, terwijl dertigers per jaar duizenden euro’s minder uitgeven dan ze binnenkrijgen.

    Toch hoeven luxebedrijven zich niet meteen zorgen te maken. Marktresearchbedrijf Bain constateert in Europa slechts een kleine daling in de inkopen van luxegoederen en zelfs een stijging in de auto- en horecabranches. Daar doen millennials ook aan mee: volgens het CBS geven twintigers gemiddeld 0,8 procent meer uit aan de horeca dan dertigers.

    Het autobezit onder 20 tot 25-jarigen liep wel iets af de afgelopen jaren, van 26,6 procent in 2010 naar 22,6 procent in 2015. Het is daarmee de sterkste daling, maar bij lange na niet de enige – alleen onder mensen van 45 jaar of ouder liep het autobezit toe.

  6. Millennials zijn lui

    Of millennials lui zijn, is voornamelijk een kwalitatieve analyse: niet iedereen is het eens over een specifieke definitie van het woord ‘lui’. Qua arbeidsdeelname doen millennials volgens het CBS in ieder geval niet onder voor dezelfde leeftijdscategorie in 2003. De verhouding tussen het werkloze en het werkende deel van de beroepsbevolking veranderde niet significant.

    Ook qua ziekteverzuim zijn millennials moeilijk lui te noemen. Het aantal dagen waarop ziekteverzuim wordt aangevraagd ten opzichte van het totaal aantal werkdagen ligt op 2 procent voor 15 tot 25-jarigen en op 3,2 procent voor 25 tot 35-jarigen. Daarna loopt het ziekteverzuim iets op.