Hoe komt het dat alleen de staat geweld mag gebruiken?

Wekelijks zoekt de redactie wetenschap het antwoord op een veelgestelde vraag. Vandaag: sinds wanneer heeft de staat een geweldsmonopolie?

Niels Wenstedt/ANP

Heeft de Nederlandse staat een geweldsmonopolie? En wat is dat dan? Een monopolie op het legitieme gebruik van fysieke dwang is het kenmerk bij uitstek van een staat, zo zei de invloedrijke Duitse socioloog Max Weber het in 1919. Een columnist van The Washington Post, Charles Lane, moest aan die uitspraak denken na een bloedige schietpartij vorig jaar in Dallas. Een zwarte man schoot toen op de politie tijdens een vreedzame mars van andere zwarte Amerikanen. Ook de betogers droegen openlijk wapens, hetgeen is toegestaan volgens de Texaanse wet. Lane wierp daarom de vraag op of de Verenigde Staten wel voldoen aan Webers norm voor een volledig ‘staat-zijn’. Het Tweede Amendement bij de Amerikaanse grondwet geeft burgers het recht ‘wapens te bezitten en te dragen’ en de voorwaarden waaronder burgers daarvan gebruik mogen maken zijn zo ruim geformuleerd dat betwijfeld kan worden of de Amerikaanse overheid een geweldsmonopolie heeft.

Webers uitspraak van 1919 was normatief: openbare orde en het algemene welzijn van een samenleving zijn erbij gebaat dat politie- en defensietaken uitsluitend berusten bij de overheid. Hij beweerde niet dat dit in het Duitsland van zijn tijd al zo was. Zo kort na de Eerste Wereldoorlog maakten gewapende ‘vrijkorpsen’ van gedemobiliseerde soldaten het land onveilig.

Schutterijen

In Nederland was de weg naar een centrale overheid met zo’n ‘veilig’ geweldsmonopolie een lange. Sinds de Middeleeuwen bestonden hier plaatselijke milities van gewapende burgers, de ‘schutterijen’, die waren belast met handhaving van de orde en de verdediging van stad of dorp tegen rondzwervende roversbenden of vreemde legers. Om mee te doen moest men ingeschreven staan als burger en het eigen wapen bekostigen.

Volgens politiehistoricus Guus Meershoek begint in Nederland de pretentie van een geweldsmonopolie van de centrale overheid bij de staatsregeling van 1798. „Daarin werd gesteld dat de overheid een en ondeelbaar het volk vertegenwoordigde en werd ‘een agent van policie’ benoemd. Feitelijk stelde dat toen nog niet veel voor, maar het idee was gelanceerd.”

In de Franse tijd stelden de bezetters een professionele gendarmerie in. Meershoek: „Die mocht vanaf 1813 eerst alleen in de Zuidelijke Nederlanden optreden, vanaf 1889 ook in Noord- en Oost-Nederland en kort voor de Eerste Wereldoorlog ook in de grote steden in het Westen.”

Knokploegen

In de negentiende eeuw bleven schutterijen bestaan naast de politie, totdat zij in 1907 werden opgeheven. Toen socialistenleider Pieter Jelles Troelstra in 1918 een mislukte poging tot revolutie deed, richtten Amsterdamse notabelen weer burgerwachten op.

De Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) vormde in 1932 een Weerbaarheidsafdeling (WA): een ordedienst annex knokploeg. Die werd in 1936 in de Wet op de weerkorpsen verboden, maar na de Duitse inval in 1940 werd hij heropgericht. De Amsterdamse Vrijwillige Burgerwacht werd in 1940 ontbonden door de Duitse bezetter en kwam na de oorlog niet terug.

Particuliere beveiligingsbedrijven en recherchebureaus behoeven goedkeuring van de staat. Zij vallen onder de intussen sterk ingekrompen Wet op de weerkorpsen uit 1936 en onder de nieuwe Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus van 1997. Met zo’n stelsel van toezicht en vergunningen, zei Weber, vallen ook zij onder het geweldsmonopolie van de staat.