Hij overviel bejaarden om te kunnen blowen

Wie: Abdullah

Wat: inbraak, vernieling, diefstal

Waar: rechtbank Den Haag

De zaak tegen Abdullah (25) gaat over van alles. Hoe specifiek moet een agent iemand omschrijven bij een herkenning van camerabeelden? En hoe waarschijnlijk is het dat iemand die met een gestolen bankpas pint, ook de inbraak pleegde waarbij die pas werd buitgemaakt? En kun je van iemand die ‘in de buurt’ stond van een inbraak aannemen dat hij de uitkijk was? En als die op de vlucht een hekje vernielt, is dat opzet of per ongeluk?

Maar het woord dat écht blijft hangen is: sleutelkastje. Abdullah wist volgens de politie overal adressen te vinden waar de thuiszorg bij bejaarden een sleutelkluisje aan de gevel had bevestigd. Met daarin de voordeursleutel, voor de zorghulp. En Abdullah wist die kastjes ’s nachts open te breken. Als de bejaarde wakker werd, maakte hij die wijs dat hij van de politie was en de pincode nodig had.

Abdullah staat terecht voor inbraken in Heerenveen, Boksum, Emmeloord en Lichtenvoorde. En voor een poging tot inbraak in zijn woonplaats, Gouda. Het bewijs bestaat vooral uit beeldherkenning door agenten aan wie hij ‘ambtshalve bekend’ is. Binnen een uur of korter ging hij bij een pinautomaat in de buurt langs. Met gecamoufleerd gezicht – en dat zal een belangrijke rol spelen. In het dossier zit een schijf met de videobeelden. „Kon u die afdraaien?”, vraagt de rechter de advocaat. „Nee”, zegt ze. „Ik ook niet”, zegt de rechter droog. In het dossier zaten ook de stills van de beelden. Dan maar zo dus. „Het zóú kunnen zijn dat u dat bent”, zegt de rechter tegen de verdachte. „Ik herken mijzelf niet, meneer”, antwoordt die. Abdullah maakt een moedeloze indruk.

Volgens de officier hoort Abdullah in zijn woonplaats bij de top-60 van criminelen; thuiszorgklanten beroven blijkt een lokale specialiteit. Abdullah ontkent, zijn advocaat vraagt vrijspraak. Niets is echt volgens de regels van de wet bewezen, meent ze.

De officier eist drie jaar cel, waarvan één voorwaardelijk, gevolgd door twee jaar huisarrest met enkelband. De advocaat kijkt verbaasd op, zo’n eis hoorde ze nooit eerder. De voorzitter bladert behulpzaam in het wetboek. Maar ze neemt aan dat zoiets kan. De advocaat kende de enkelband alleen bij de voorwaardelijke invrijheidstelling na een celstraf. Niet als zelfstandige maatregel.

Afwijzend tegenover hulp

Volgens de reclassering staat Abdullah afwijzend tegenover hulp en is de kans op herhaling vrij groot. De kans dat hij zich verzet als therapie of hulpverlening veel van hem eisen, is groot. Gevraagd of hij tijdens dat eventuele huisarrest (‘locatiegebod’) inzicht aan de reclassering wil geven over zijn alcohol- en drugsgebruik, zegt hij berustend: „Ik vind het goed.” Ook tegen een verhuizing protesteert hij niet. „Dat is beter voor mij.” Zijn huidige vrienden „doen niks, ze hangen” of doen „slechte dingen”. Zijn advocaat heeft een baan voor hem geregeld – als schoonmaker, met persoonlijke begeleiding, een proeftijd en dan „mogelijk” een vast contract.

De officier trekt alle registers open. Puur geldbejag en zelfverrijking, om te kunnen drinken en blowen. En hij deed het al „heel vaak”: het is „bijzonder laag” bejaarden die al in een kleine wereld leven aan te vallen en op te zadelen met een trauma. Eén slachtoffer kreeg na de inbraak een hersenbloeding, „mogelijk door de stress”.

Alle inspanningen van de reclassering waren tot nu toe voor niks. „U moet uw problemen zélf oplossen, niet de samenleving”, zegt de officier, zo verwijtend mogelijk. Vermoedelijk is Abdullah voor heel wat meer inbraken in het land verantwoordelijk dan voor de vier die de politie aan hem linkt.

De rechtbank veroordeelt Abdullah later tot vijf maanden cel, alleen wegens poging tot inbraak. Hij wordt vrijgesproken van het pinnen en dus ook van alle inbraken. De rechtbank herkent hem niet van de beelden van een man met deels afgedekt gelaat. Ook de herkenning door agenten overtuigt de rechtbank niet. Juist omdat de verdachte bij de politie bekend is, bestaat „het risico dat kennis van het strafrechtelijk verleden van verdachte – onbewust – aan de herkenning heeft bijdragen”.