Commentaar

Geen aangifte doen bij corruptie is onbegrijpelijk, zeker voor een minister

Soms doen oud-bewindslieden de meest merkwaardige onthullingen over hun politieke verantwoordelijkheid van destijds, het informeren van de Kamer dan wel wat ze destijds écht probeerden te bereiken. Onlangs legde oud-staatssecretaris Fred Teeven (Justitie, VVD) in De Groene (al dan niet on the record) uit dat hij zwaar bezuinigde op de rechtshulp om de strafadvocatuur uit te kleden ten bate van hogere straffen. En nu is daar oud-minister Hans Hillen (Defensie, CDA) die schrijft dat hij ‘natuurlijk’ geen aangifte deed tegen ‘iedere medewerker’ die over de schreef ging. Immers, „als je agentje gaat spelen krijg je geen vertrouwen van je organisatie”. De Kamer informeren zou hem maar hinderen bij het „managen van de krijgsmacht”. Dat hij tóch aangifte deed kwam omdat de kwestie uitlekte in De Telegraaf.

Daarmee verzaakte de bewindsman twee wettelijke plichten – de Kamer dient altijd tijdig, zo goed en zo volledig mogelijk te worden ingelicht. Alleen met een beroep op strijdigheid met het ‘belang van de staat’ kan een minister zich daarvan verschonen. En bij een vermoeden van ambtscriminaliteit geldt een aangifteplicht, in ieder geval voor de ambtenaren en dus voor de ambtelijke leiding. Daarna is het aan het OM om te beslissen of opsporing en vervolging nodig zijn. Niet aan ministers met eigen opvattingen over loyaliteit en wat nuttige tijdsbesteding is en wat niet.

Maar Hillen maakte dat liever zelf uit, overigens met argumenten die juist pleiten voor het omgekeerde: het wél doen van aangifte. Hillen had de indruk dat H. intern werd geslachtofferd en dat de kwestie eigenlijk groter was. Het gedrag van de man zou door zijn meerderen steeds gedekt zijn geweest. Maar juist daarom wilde Hillen de kwestie intern houden– kennelijk moest de deksel op de put blijven. Dat is onjuist, kortzichtig en kwalijk. Juist in een corruptiekwestie waarin sprake lijkt van bevoordeling in ruil voor gunsten, waarvan de ambtelijke en politieke leiding zouden profiteren is die houding tevens onbegrijpelijk.

Hillen stelde zichzelf voor de valse keuze tussen ‘vertrouwen van de organisatie’ en vertrouwen van de burger, namelijk dat het ministerie van Defensie integer wordt bestuurd. Maar Hillen heeft het liever neerbuigend over ‘agentje spelen’ en denkt dat Defensie hetzelfde is als een bedrijf.

Als daar iemand papier voor het kopieerapparaat steelt, schrijft hij, volgt vast en zeker óók geen aangifte. Echter, Defensie is geen bedrijf, maar overheid – en daar gelden strenge regels. En overigens worden in het bedrijfsleven met regelmaat werknemers ontslagen die soms zeer kleine diefstallen plegen. Hillen begrijpt er niks van.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.