Cultuur

Interview

De Palestijnse demonstrant Tito in het Am’ari-vluchtelingenkamp bij Ramallah.

Foto’s Dirk-Jan Visser

De Palestijnse demonstrant Tito gooit stenen – wapens die de vijand vreest

Serie Westelijke Jordaanoever

Hoe is het leven van een Palestijnse demonstrant? De 32-jarige Tito, vluchteling van de derde generatie, droomt van de zee en reizen. „Mijn vrienden zeggen vaak: stop er gewoon mee, het is genoeg geweest.”

Een oerkreet stijgt op uit een ambulance. De schokkerige beelden tonen het dak van het voertuig en de achterruit, waarop het logo van de Rode Halve Maan zichtbaar is. De patiënt ademt zwaar en rochelt. In zijn hand houdt hij een Palestijnse vlag geklemd.

Het zijn beelden van een GoPro-camera die een demonstrant heeft omgehangen tijdens een confrontatie met het Israëlische leger bij de Ofer-gevangenis, nabij het Palestijnse plaatsje Rafat op de bezette Westelijke Jordaanoever.

De 32-jarige Tito, woonachtig in het Am’ari-vluchtelingenkamp bij Ramallah, is geregeld bij zulke confrontaties. „Ik inhaleer veel traangas”, zegt hij in zijn huis, zeventien kilometer ten noorden van Jeruzalem. „Het verzwakt me.”

Hoe ziet het leven van een Palestijnse demonstrant eruit? Tito neemt een trek van zijn sigaret. We hebben afgesproken dat hij zijn verhaal gaat vertellen.

De overwinning van Israël tijdens de Zesdaagse oorlog schiep een zionistisch messianisme dat Israël sindsdien in een houdgreep heeft, schrijft Salomon Bouman. Lees zijn opiniestuk: Zes dagen oorlog, vijftig jaar beklemming

„Allereerst, ik hou van kinderen. Ik vind het leuk met ze te spelen. Zij vinden het ook echt leuk om met mij te spelen.”

Tito neemt een witte puppy op de arm. „Ik hou ook van dieren. Ik heb een kat en een hond.” Zijn zwart-witte poes is de koningin van de tuin.

„Maar het beste wat ik in mijn leven heb meegemaakt, was verliefd worden. Mijn hart wist nooit wat liefde was. Ik had nog nooit met een meisje gesproken. Het leven was gewoon demonstraties, schieten, Joden, overledenen, schieten, aanhouding, gevangenis. Nadat ik een meisje had leren kennen en verliefd werd, realiseerde ik me dat er nog veel meer is.”

Dirk-Jan Visser

Liefde, zegt Tito, is niet alleen van je land houden. „Mijn lichaam heeft altijd verzet en patriottisme gekoesterd, maar een ander deel van mijn lichaam, mijn hart, wist dat het moest liefhebben.”

Als je Tito vraagt waar hij vandaan komt, zegt hij niet: uit het Am’ari-vluchtelingenkamp. Hij zegt: uit het dorp Salama. Maar Salama staat niet meer op de kaart. Het was een dorp even buiten Jaffa, het eeuwenoude Arabische havenstadje dat tegenwoordig door het leven gaat als stadsdeel van Tel Aviv, in Israël.

Etnisch gezuiverd

Salama werd in 1948 etnisch gezuiverd door zionistische milities. Alleen de Shalma Road in Tel Aviv herinnert nog aan de vroegere Arabische bewoning.

De circa zevenduizend inwoners van Salama ontvluchtten hun huizen, en belandden in kampen. Bijna zeventig jaar later woont Tito, als nakomeling van de vluchtelingen van destijds, nog steeds in een vluchtelingenkamp, dat tegenwoordig uit stenen huizen bestaat.

De entree van het al-Am’ari kamp in Ramallah, waar Tito woont.Dirk-Jan Visser

Volgens het internationaal recht hebben alle Palestijnse vluchtelingen van 1948 en hun nakomelingen – intussen zo’n vijf miljoen – het recht terug te keren naar waar ze vandaan komen, in het tegenwoordige Israël. Israël weigert dit.

Boven de ingang van het Am’ari-vluchtelingenkamp staat een boog. Op de voorkant van de boog staat een sleutel afgebeeld. Dit is een symbool dat alle Palestijnse vluchtelingen koesteren: het staat voor de sleutel van het huis waar hun families vandaan vluchtten. Velen hebben de daadwerkelijke sleutel van hun oude huis bewaard. Nog altijd leven zij en hun nakomelingen met de hoop dat ze ooit zullen terugkeren.

Meeste vrienden zijn martelaren

Tito is, als vluchteling van de derde generatie, geboren in het kamp. Het kamp heeft alles, zegt hij tijdens een potje biljart met zijn vrienden. „Er is een fitnessruimte, er zijn plaatsen om te spelen en nog veel meer. Maar het is een kamp. Het heet een kamp. De huizen zijn oud. Veel liggen er in puin. Het water wordt tweemaal per week afgesloten. De elektriciteit ook. Ongeveer vijftienduizend mensen die in sloppenwijken leven. Elk huis kijkt uit op een ander huis, elk raam kijkt uit op een ander raam. Iedereen woont zo dicht bij zijn buren.”

Bekijk ook de fotoserie: Jeruzalem in 1967 en nu

’s Avonds hangt Tito rond op straat, zoals meer mensen hier voornamelijk buitenshuis leven. „Het is een kamp. Dus mensen leven niet zoals anderen. Het is niet zoals Nederland, de Verenigde Staten, Turkije, Parijs, Frankrijk of een ander land. We hebben aan alles gebrek. Je mag niet bij een Palestijnse overheidsinstelling werken als je uit een kamp komt. Ik kan niet naar elk land reizen. Ik hou van reizen. Ik wil eropuit trekken om de natuur, de mensen, de zee te zien, alles wat er te zien is.”

De zee – het is een gevoelig thema voor Palestijnse vluchtelingen die op de Westelijke Jordaanoever beland zijn. Zijn oorspronkelijke dorp Salama lag op een zucht van de Middellandse Zee, maar Tito mag er van Israël niet naartoe. Geen dag. Niet alleen mogen Palestijnse vluchtelingen zich niet in Israël vestigen, ze mogen er überhaupt niet komen. Daarentegen mag elke Jood ter wereld op elk gewenst moment Israëlisch staatsburger worden.

Als demonstrant, zegt Tito, word je beschouwd als een terrorist of crimineel. „Het is oneerlijk, ik ben geen crimineel.”

Dirk-Jan Visser
Dirk-Jan Visser
Dirk-Jan Visser

Terug in zijn huis. Tito steekt een sigaret op, zittend achter zijn laptop. „De meeste van mijn vrienden zijn martelaren.” Hun beeltenissen zijn overal: op het scherm, aan de muur. „Ik heb ook vrienden in de gevangenis. Ik heb ook vrienden die gehandicapt zijn en nu thuisblijven.” Tito laat een Facebook-filmpje zien waarin hij een zojuist omgekomen vriend, die de Palestijnse keffiyeh nog om zijn hoofd geknoopt heeft, een knuffel geeft.

„Ik wil zelf ook martelaar worden, zodat ik mijn vrienden kan zien.”

De volgende ochtend. Tito ontwaakt, knuffelt zijn puppy, rekt zich uit. „Onze voorouders betaalden een prijs, generatie na generatie. Het is nu onze beurt om de prijs te betalen. We moeten het land verdedigen, tegen elke prijs.” Hij kijkt uit het raam, gaat weer op bed zitten. Steekt een sigaret op en drinkt Arabische koffie, met kardemom.

Ik wil zelf ook martelaar worden, zodat ik mijn vrienden kan zien.

,,Mijn vrienden zeggen vaak: Tito, stop er gewoon mee. Het is niet meer aan jou, het is genoeg geweest. Besteed eens wat aandacht aan je leven, ga trouwen.” Tito trekt zijn kistjes aan. „Dat is moeilijk, want het zit nu in mijn bloed en ik kan het niet beheersen.” Hij kijkt in de spiegel, doet zijn haar goed.

Tito trekt naar buiten, zoekt vrienden op. Ze maken zich klaar voor weer een demonstratie. Sommigen hebben zichzelf onherkenbaar gemaakt met een bivakmuts of een om hun hoofd geknoopte keffiyeh. Tito draagt een petje, een gewatteerde jas en een legerbroek.

Het is waarschijnlijk het meest iconische beeld van het Israëlisch-Palestijnse conflict: Palestijnse stenengooiers tegenover Israëlische ordetroepen met traangasgeweren.

Dirk-Jan Visser
Dirk-Jan Visser

Deze confrontaties met het leger zijn symbolisch, zegt Tito. „We gooien stenen of molotovcocktails. Dat is waartoe we in staat zijn. Het is waar dat zij wapens hebben, maar wij doen wat we kunnen.” Ironisch genoeg heeft Israël zijn nieuwste raketafweersysteem ‘Davids Slinger’ gedoopt.

Tito bindt een sjaal om zijn hoofd en doet zijn capuchon op. Zijn ogen gaan schuil achter een zonnebril.

„Stenen hebben waarde. Het betekent dat we ons verzetten. Deze steen is ons wapen: een wapen dat de vijand vreest. Een steen boezemt angst in.” Hij beklimt een heuvel. „De steen die we gooien, komt van ons land. De steen verdedigt het land waarop hij slaapt.”

In het GoPro-filmpje zien we een demonstrant steeds een steen oppakken, in zijn slinger leggen en enkele tientallen meters ver werpen. Israël bestraft deze vorm van verzet steeds zwaarder. Palestijnse stenengooiers lopen het risico dat ze tot twintig jaar in de gevangenis belanden.

Nadat enkele demonstranten een molotovcocktail in een autoband hebben geprepareerd, regent het traangasgranaten op de heuvel. De hoofdpersoon rent weg. Overal zakken mannen op de grond, in hun ogen wrijvend. Ook de man met de camera zijgt neer, op zijn knieën. Hij slaat een aantal keer hard met zijn vuisten op zijn dijbenen, en schreeuwt.

‘Tito’ is een strijdnaam. Omdat het volgens de Israëlische wet strafbaar is om stenen te gooien wil de demonstrant niet met zijn echte naam in de krant.
Dit verhaal is onderdeel van de webdocumentaire The Holy Road van Derk Walters en Dirk-Jan Visser. Lees ook deel 1: Het leven van Joodse pubers in een kolonie, omringd door Palestijnen