Jemig, dacht Hillen, die man kan zich nooit verweren

Toedekken corruptie

Tegen ambtenaar Jacques H. was een „schijn van belangenverstrengeling” ontstaan. Maar Defensie vergoelijkte de kwestie.

Hans Hillen (midden) op het Binnenhof in 2011. De CDA’er was van 2010 tot 2012 minister van Defensie. Foto Jurriaan Brobbel/ANP

Het was een opmerkelijke bekentenis die Hans Hillen deed op 15 september 2014, tijdens een verhoor bij de Rijksrecherche. Als hij aangifte moest doen tegen elke Defensiemedewerker die een strafbaar feit beging – een „fout” in zijn woorden – „dan moeten jullie echt uitbreiden”, zei de voormalig minister.

De brigadier en inspecteur die hem ondervroegen reageerden verbaasd. Was de overheid niet altijd verplicht aangifte te doen als een ambtenaar over de schreef ging? Hillen: „Ja, dat weet ik wel, maar dat zal niet gebeuren.”

Dat Hillen als oud-minister van Defensie (tussen 2010 en 2012) als getuige werd gehoord was al even opmerkelijk. De Rijksrecherche, de politiedienst belast met onderzoek naar ambtelijke corruptie, vermoedde dat de CDA’er meer wist over oud-Defensiemedewerker Jacques H., de hoofdverdachte in een grote omkopingszaak.

Justitie vermoedt dat H. tussen 2001 en 2012 steekpenningen heeft aangenomen van bedrijven die dienstauto’s leverden aan Defensie, in ruil voor commercieel vertrouwelijke informatie over de autoplannen van de krijgsmacht.

In getapte telefoongesprekken had H. diverse malen de naam van Hillen laten vallen. En nu wilde de Rijksrecherche van de CDA’er weten hoe dat zat. Waarom had Hillen zich „zowel tijdens als na zijn ambtstermijn” persoonlijk bemoeid met het arbeidsrechtelijke conflict tussen Defensie en haar automedewerker Jacques H.? Dit arbeidsconflict was namelijk een rechtstreeks gevolg van de corruptieverdenkingen tegen H.

De zaak kwam medio december 2011 voor het eerst in de openbaarheid, via De Telegraaf. Voor Hillen was die publicatie geen verrassing: twee weken daarvoor had hij een anonieme brief ontvangen met gedetailleerde beschuldigingen aan het adres van H.

Het artikel had hem buitengewoon geërgerd, vertelde Hillen de rechercheurs. Als de zaak intern was ontdekt, was H. wellicht ontslagen of gedegradeerd, vertelde hij, „maar er zou nooit aangifte gedaan zijn”. Dat kwam alleen door de publiciteit, aldus Hillen: „Nu wordt er aangifte gedaan omdat het departement altijd tegen de Tweede Kamer moet kunnen zeggen: ‘Wij hebben alles gedaan.’”

In de regel loste Defensie dit soort problemen zelf op, legde Hillen uit. Zonder aangifte, zonder strafzaak, zonder openbaarheid. In de woorden van de oud-bewindspersoon: het ministerie „dekte niets toe” maar zocht een balans tussen „het belang van de organisatie en het belang van het individu”. Voor de medewerker die een fout had gemaakt betekende dit een interne „douw”.

Dit „eigen correctiemechanisme werkt ook heel bevredigend”, zei Hillen tegen de Rijksrecherche. Maar in het geval van Jacques H. had het veronderstelde „correctiemechanisme” meer weg van een blusdeken bedoeld om vuur en rook weg te houden bij het Openbaar Ministerie en de Tweede Kamer, zo blijkt uit het justitiedossier waar NRC inzage in had.

H. bekleedde zeker twee decennia een gevoelige positie en onderhield innige banden met auto-importeurs en leasemaatschappijen, blijkt uit de stukken. De ambtelijke en politieke top van Defensie zag dit nooit als een probleem. Integendeel: Jacques H. was een gewaardeerde probleemoplosser juist dankzij zijn uitstekende relaties in de autowereld. Of het nou om de te hard afgestelde vering van de BMW van VVD’er Henk Kamp ging, of om speciale Audi’s voor een NAVO-top: H. regelde het, snel en discreet.

Naar H.’s opvallend dure privéauto’s werd sinds 2005 twee keer een integriteitsonderzoek gedaan, aldus het dossier. Maar H. leek alles te kunnen uitleggen en maatregelen werden nooit getroffen. Hij mocht gewoon blijven rijden in de auto die hij onder gunstige voorwaarden had gefinancierd bij de dealer waarmee hij ook namens Defensie zaken deed.

H. kwam pas echt onder vuur te liggen na de anonieme brief aan Hillen. Die leidde tot een volgend onderzoek, deze keer door een zware commissie onder leiding van de gepensioneerde luitenant-generaal Minze Beuving. Die oordeelde in 2012 dat er door H.’s langdurige en innige omgang met autoverkopers de „schijn van belangenverstrengeling” was ontstaan en noemde dat „ongewenst”.

Hillen en het ministerie wilden er niet aan. De CDA’er meldde aan de Tweede Kamer dat er rond Jacques H. weinig aan de hand was. De ambtenaar zelf kreeg na het rapport-Beuving een vergoelijkende brief van de hoogste ambtenaar van Defensie, waarin stond dat de conclusies van de commissie „onvoldoende aanleiding” gaven voor disciplinaire maatregelen. Defensie stak bovendien de hand in eigen boezem: „Het onderwerp integriteit is in de organisatie onvoldoende onderwerp van aandacht geweest, ondanks dat [H.] in een zeer integriteitsgevoelige positie verkeerde.”

Wel werd H. overgeplaatst naar een functie met minder verleidingen en werd het onderzoek van de commissie-Beuving „voorgelegd” aan het Openbaar Ministerie. Dat was minder inschikkelijk dan Hans Hillen: voor het OM bleek de omkoping van Jacques H. en diverse andere Defensie- en politieambtenaren direct een megazaak. Het dossier telt inmiddels meer dan 100.000 pagina’s en er zijn miljoenenschikkingen getroffen met diverse autobedrijven.

De Rijksrecherche wilde in 2014 dan ook alles weten van Hans Hillen over de „coulante” behandeling van hoofdverdachte Jacques H. Dat was een kwestie van menselijkheid, zei Hillen: „Op het moment dat zoiets gebeurt denk ik: o jemig, die man is de sjaak, want nu moet het hele correcte eindje worden afgewerkt en daar kan hij zich nooit tegen verweren. Want er wordt altijd wat ontdekt. En iedereen heeft weleens wat.”

Hillen sprak uit ervaring. Zijn werk als Defensieminister werd in 2011 namelijk ernstig bemoeilijkt door een aantal andere, breed uitgemeten integriteitskwesties. De Volkskrant berichtte dat jaar over misstanden en zelfverrijking in de Haagse Frederikkazerne, over ernstige integriteitsschendingen bij een IT-afdeling van de marine en over belangenverstrengeling bij het opleiden van marinepersoneel.

Hillen kreeg over deze kwesties herhaaldelijk het verwijt dat hij de Tweede Kamer niet goed informeerde. De zaak-Jacques H. is hierop geen uitzondering, blijkt uit zijn verklaring.

Zijn ondervragers wezen de ex-minister erop hij de door de commissie-Beuving geconstateerde integriteitsschendingen niet aan de Tweede Kamer had gemeld. Dat was een bewuste keuze, legde Hillen uit aan de Rijksrecherche. Had hij dat wel gedaan, dan zou de Kamer te veel op de stoel van het Openbaar Ministerie gaan zitten. „Dan willen ze het naadje van de kous weten.”

En dat hoefde van Hillen niet.