Hillen loste corruptiezaak liever zelf op

Ministerie van Defensie

Minister Hans Hillen (CDA) lichtte de Kamer niet in over corruptie bij Defensie. Anders was er geen tijd voor het managen van het leger.

Minister van Defensie Hans Hillen tijdens een spoeddebat over de Joint Strike Fighter in de Tweede Kamer in Den Haag. Foto Freek van den Bergh/ANP

Het ministerie van Defensie wilde de kwestie rond zijn van corruptie verdachte medewerker Jacques H. zonder tussenkomst van justitie en de Tweede Kamer afhandelen. Dat blijkt uit het verhoor van toenmalig minister Hans Hillen (CDA) door de Rijksrecherche in deze grote corruptiezaak.

Hillen werd in 2014 opgeroepen als getuige in de zaak rond de aankoop van defensieauto’s, waarin voormalig Defensiemedewerker H. hoofdverdachte is. Aanleiding was het feit dat Hillens naam was gevallen in diverse door de recherche afgeluisterde telefoongesprekken over de corruptiezaak. NRC kreeg inzage in het proces-verbaal van dit verhoor.

Defensie deed alleen aangifte tegen H. omdat iemand de zaak naar De Telegraaf lekte, zo vertelde Hillen de rechercheurs. Aangifte gebeurde niet „vanwege het feit” maar „omdat het departement altijd tegen de Tweede Kamer moet kunnen zeggen: ‘Wij hebben alles gedaan.’”

Bij het informeren van de Kamer verzweeg Hillen ook bewust de ernst van de verdenkingen aan het adres van H. Daarnaast bemoeide Hillen zich herhaaldelijk persoonlijk met diens rechtspositie.

In 2011 lag de CDA’er herhaaldelijk onder vuur omdat hij informatie over grote integriteitsschendingen op het departement niet deelde met het parlement.

In een reactie zegt Hillen dat hij niet het doel had de corruptiezaak op zijn departement toe te dekken. Hij wilde de ambtenaar beschermen, die door het uitkomen van zijn vermeende corruptie in een kwetsbare positie terecht was gekomen. Dat Hillen de Kamer onvolledig informeerde, was omdat hij geen tijd meer zou hebben voor het „managen van de krijgsmacht”, als hij zich steeds in de Kamer zou moeten verantwoorden voor „incidenten” op zijn ministerie.

Na jaren onderzoek brengt het Openbaar Ministerie de zaak-Dotterbloem op 13 juni voor het eerst voor de rechter, in een regiezitting. Het OM heeft een dossier van circa 100.000 pagina’s opgebouwd over corruptie onder ambtenaren belast met de inkoop van voertuigen voor politie en leger. Jacques H. wordt verdacht van het aannemen van steekpenningen van dealers in ruil voor vertrouwelijke info. De betrokken autobedrijven hebben inmiddels vrijwel allemaal geschikt met justitie.

‘Barbertje moet juist niet hangen’

De Rijksrecherche wilde van Hillen weten waarom hij zich „tijdens en na zijn ambtstermijn” persoonlijk met de zaak van Jacques H. had bemoeid. Hillen antwoordde dat hij de zaak binnenskamers had willen oplossen en dat er bij vergelijkbare zaken geen aangifte werd gedaan om het departement niet te schaden. Defensie had volgens hem een „eigen correctiemechanisme” dat „ook heel bevredigend werkte”.

Het verhoor van Hillen dateert al uit 2014, maar is nooit bekend geworden. Nu zegt de voormalig minister dat hij vindt dat Jacques H. te hard door het ministerie is aangepakt. „Ik vond dat mijn organisatie ook redelijk bruusk reageerde door direct alles op een persoon te richten, direct zo’n zwaar onderzoek in te stellen. Wat mij betreft moet Barbertje dan juist niet hangen. Zo’n zaak is altijd groter, heeft altijd context. Hij kan nooit tien jaar helemaal alleen hebben gehandeld, dan moet het echt wel toegejuicht zijn, of geaccepteerd. Dan is hij door zijn meerderen voortdurend gedekt geweest.”

Volgens Bas Martens, de advocaat van Jacques H., is zijn cliënt „geslachtofferd”. Volgens Martens heeft H. zijn taken goed uitgevoerd, en waren zijn goede contacten met de autowereld daarvoor noodzakelijk.