Recensie

Mariavespers is bij vlagen subliem muziektheatraal ritueel

In aanwezigheid van koningin Máxima opende gisteren de 70ste editie van het Holland Festival met een gewaagde en geslaagde architecturale opvoering van Monteverdi’s Mariavespers in ‘mise-en-éspace’ van oud-festivaldirecteur Pierre Audi.

Het chique publiek detoneerde wat bij de rauw-industriële uitstraling van het Westergasfabriekterrein. Maar het was niet voor het eerst dat het Holland Festival hier opende, in de monumentale Gashouder. En met reden: de ronde ruimte (2500 vierkante meter, vijftien meter hoog) is een areligieuze tempel, geknipt voor ruimtelijke voorstellingen als Monteverdi’s Mariavespers (en eerder Nono’s Prometeo en Neuwirths Encantadas).

Het Holland Festival bestaat zeventig jaar. Lekker lome Polygoon-beelden van de beginjaren, toen het festival het gouden randje van de wederopbouw mocht zijn, staan sinds deze week op de festivalsite, waarop het hele archief is ontsloten. Ook feestelijk: het recente verleden loopt gewoon door in het heden. Oud-directeur Ivo van Hove (1998-2004) regisseert dit jaar Obsession en de opera Salome. En Pierre Audi (festivaldirecteur 2005-2014) tekende bij de openingsvoorstelling Mariavespers voor de ‘mise-en-espace’.

De huidige directeur, Ruth Mackenzie, is er trots op, zegt ze na afloop op de borrel. Over haar eigen vertrek per 2018, vroeger dan door wie dan ook voorzien, wil ze niet praten, al zijn er zeker beweegredenen te verzinnen. Zoals dat het Holland Festival, hoewel internationaal van naam, met 4 miljoen subsidie krap bemeten is (ter vergelijk: het podiumkunstenfestival in Aix-en-Provence waar Pierre Audi in 2018 aantreedt, heeft 18 miljoen subsidie en de Ruhrtriënnale van Johan Simons 11,5). Daarbij is het directeurschap van het Holland Festival parttime, en Mackenzies nieuwe baan (Théâtre du Châtelet Parijs) fulltime. „Maar ik ben nog niet weg, hè”, lacht ze. „Nog twee edities. Met als motto: meer mensen ervan overtuigen dat ‘elitair’ niet eng is, maar een kwaliteitskeurmerk. Cate Blanchett en Jude Law elitair? Ha, ik zeg liever: bloody brilliant.”

Mariavespers – dit Pinksterweekend vier keer gespeeld en al vroeg uitverkocht – was nochtans een gedurfde openingsvoorstelling. Mag/moet je een zozeer complex religieus magnum opus willen voorzien van een theatraal-visuele component? Daarover valt te twisten, maar de argumenten vóór zijn legio. De muziek ís architecturaal – dat is één. En de aanpak van Audi en dirigent Raphael Pichon met zijn briljant zingende en spelende Ensemble Pygmalion (veertig stralende stemmen, dertig virtuoze musici) overtuigde zaterdag twee uur lang als een experimenteel maar bij vlagen subliem muziektheatraal ritueel. Met als bijgedachte: hoezo is een religieuze viering eigenlijk geen theater? Audi’s eigen vlam ontbrandde ook toen hij misdienaar was in Beiroet en hij de priester - exact getimed - het wierookvat moest aanreiken door een opening in de iconenwand.

Met de tijdloze mystiek van Audi’s vroegere Monteverdi-cyclus voor De Nationale Opera uit de jaren negentig lag deze voorstelling op één lijn – maar de aankleding was uitgebeender. Er werd meerstemmig solistisch gezongen vanaf steigers, voetbalveld-breed uiteen en zeer spectaculair. Er werd geëxperimenteerd met kooropstellingen – achter het orkest in twee rijen, erboven als mensenslinger, liggend in de arena of daar in rijtjes – als spaken van een wiel – rondom. Het een werkte beter dan het ander. Vooral de ‘klassieke’ opstelling leidde door de grootte van de ruimte en de galm (deels met subtiele versterking opgevangen) tot verlies aan detaillering en daarmee van intensiteit. Zo’n walking bass in Psalm 121 – die wil je in je onderbuik voelen prikken. Ook node gemist: boventiteling. Waar harpen en luiten zó sensueel tinkelen, helpt het te weten dat het Hooglied klinkt.

Evocatief middelpunt van het ritueel was een installatie van de Vlaamse kunstenaar Berlinde de Bruyckere. De theatrale kracht van haar beelden werd al eerder in muziektheater benut (onder meer in Dusapins Penthesilea in de Muntopera in Brussel). Hier oogde haar meterslange installatie van takachtige knekels deerniswekkend en terneerdrukkend – als een non-descript maar betekenisvol, actueel contrapunt van de gezongen teksten over geloof, barmhartigheid, trots, waan en liefde.