Opinie

Zes dagen oorlog, vijftig jaar beklemming

Maandag is het vijftig jaar geleden dat Israël de Zesdaagse Oorlog begon. De overwinning schiep een zionistisch messianisme dat Israël sindsdien in een houdgreep heeft, schrijft .

Israelische soldaten in Hebron, 8 juni 1967 David Rubinger/GPO

‘Het is erop of eronder.” Met deze woorden werd ik op het vliegveld van Tel Aviv begroet toen ik in juni 1967, na een kort verblijf in het buitenland, naar Israël terugkeerde. Veel mensen wachtten daar juist op een plaats in een vliegtuig naar veiliger oorden, want een kwart eeuw na de Holocaust heerste er een doemstemming in Israël. Op straat zag ik weinig mannen, winkels bleven dicht, ramen werden geblindeerd.

Een familielid, onderofficier, prees mij dat ik als correspondent op mijn post bleef. Maar, zo vroeg hij, begreep ik wel dat „een grote oorlog tegen Egypte en Syrië” onvermijdelijk was? En dat deze zo bloedig zou worden dat er buiten Tel Aviv al graven werden gedolven voor de verwachte duizenden doden?

Zo stond het ervoor. De Verenigde Naties hadden hun blauwhelmen uit de strook tussen Gaza en Israël teruggetrokken. De Egyptische president Gamal Abdel Nasser had zijn expeditieleger van Jemen naar de Sinaï-woestijn verplaatst en de zeearm naar de Israëlische haven van Eilat gesloten. Israël en Syrië bestookten elkaar op de Golanhoogte met artillerie. In de lucht erboven voerden Israëlische Mirages steeds vaker gevechten met Syrische MiGs. Radio Cairo brulde: „De Joden de zee in”.

Maar wie zou de eerste, echte klap uitdelen? Zou dat Israël niet zijn, dan stond het voortbestaan van het land op het spel. Daar was Yitzhak Rabin, chef-staf van de strijdkrachten en de latere premier, van overtuigd, vertelde hij het kabinet op 2 juni 1967.

De Franse president De Gaulle dreigde met een wapenembargo als Israël een oorlog zou beginnen. Frankrijk was in die dagen de belangrijkste wapenleverancier van Israël. Niettemin stegen op 5 juni, maandag vijftig jaar geleden, eskaders Israëlische gevechtsvliegtuigen op. Laag boven de Middellandse Zee, onder de vijandelijke radar, vlogen ze het Egyptische luchtruim in en vernietigden binnen een half uur de Egyptische luchtmacht op de grond.

‘Nu zijn we een imperium’

Daarmee was de uitkomst van de Zesdaagse Oorlog bezegeld. Zonder eigen luchtsteun was het Egyptische leger in de Sinaï-woestijn immers kansloos.

In de Zesdaagse Oorlog veroverde Israël de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem, de hele Sinaï tot aan het Suezkanaal en de hoogvlakte van Golan. „Nu zijn we een imperium”, zei een Israëlische minister.

Maar de regering van Levi Eshkol was niet voorbereid op zo’n enorme gebiedsuitbreiding. Moshe Dayan, minister van Defensie, was aanvankelijk zelfs tegen de verovering van Oost-Jeruzalem geweest. Als seculiere Israëli had hij geen belangstelling voor de heilige Joodse plaatsen daar. Dayan voorzag ook dat de Israëlische opmars tot het Suezkanaal tot nieuwe confrontaties met Egypte zou leiden.

Hij kreeg gelijk. In 1970 duelleerden beide landen met artillerie; in 1973 probeerden Egypte en Syrië met een verrassingsaanval op Grote Verzoendag (Jom Kipoer) hun gebied terug te veroveren.

Israelische soldaten bij de Klaagmuur in Jeruzalem, 7 juni 1967. Foto David Rubinger / GPO

Maar annexatie zou vooral de Israëlische identiteitsvraag op scherp zetten. Het inlijven van de Westelijke Jordaanoever, met zijn snel groeiende Palestijnse bevolking, zou van Israël een „binationale staat” maken, zei Yacov Shapiro van de Nationale Religieuze Partij (NRP), kort na de juni-oorlog. „Dat zou het einde van de zionistische onderneming betekenen.” De vraag wat annexatie betekent voor de Joodse identiteit, staat vijftig jaar later nog steeds centraal in het politieke debat.

Met de Israëlische overwinning in 1967 werden de Joodse staat, de verhoudingen in het Midden-Oosten, de relatie tussen Moskou en Washington en die tussen Israël en de Arabische wereld, inclusief de Palestijnse kwestie, ten slotte beslissend veranderd.

Zionistische trots brak door

De snelle zege – „een wonder” zeiden de mensen – wekte een sterk bewustzijn op in grote Joodse gemeenschappen in de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en elders. ‘Zionistische trots’ brak in de Sovjet-Unie door de antireligieuze communistische doctrine; wat het begin inluidde van de massale immigratie van Russische Joden naar Israël.

De overwinning was een instant-therapie voor de angst te worden vernietigd, die in die dagen tastbaar was. Maar ze schiep ook een zionistisch messianisme dat Israël sindsdien in de houdgreep heeft.

Ik zag de emotie in het veroverde deel van Oost-Jeruzalem, bij de Klaagmuur, het laatste overblijfsel van Salomons tempel. Soldaten huilden er, mannen en vrouwen legden hun twee handen ertegen en omarmden elkaar. Shlomo Goren, opperrabijn van het leger, was in extase. Hij zag de stenen van de Klaagmuur schitteren als diamanten, vertelde hij me.

Tweeduizend jaar diaspora, begonnen nadat de Romeinen de Joden uit Judea verdreven, werd psychologisch weggevaagd. Joden hadden in de hele wereld gebeden: „Het volgend jaar in Jeruzalem.” Nu stonden zij daar.

Dat is het ‘wonder’ dat in de Israëlische politiek is ingebrand – én dat een oplossing van het Palestijnse vraagstuk in de weg staat. Steeds meer Israëli’s beschouwen niet alleen Jeruzalem, maar ook de Westelijke Jordaanoever (Judea en Samaria), waar nu zo’n drie miljoen Palestijnen onder een bezetting leven, als Joods historisch erfgoed.

Tijd voor een Palestijnse staat?

Nadat de overwinning was ingedaald, vonden progressieve Israëli’s dat het tijd was een Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever te stichten. Zonder oplossing voor het Palestijnse vraagstuk zou de Israëlische greep op dat gebied zich alleen maar verharden, voorzagen zij. Terwijl Israëlische en Palestijnse notabelen hierover discussieerden, vielen Palestijnse strijders vanuit Jordanië en Syrië de bezette gebieden binnen. In de herfst van 1967 woedde in de Jordaanvallei en omstreken een felle strijd, tot Israël het Palestijnse verzet daar en in de Gaza-strook met harde hand afstrafte.

Alle gevechten ten spijt ontstond een intensief verkeer tussen Israël en deze gebieden. Honderdduizenden Palestijnen gingen aan het werk in Israël; Israëli’s op hun beurt gingen voor hun boodschappen naar Palestijnse markten, lieten hun auto’s in Palestijnse garages repareren en bezochten in Tulkarem, op de rand van de West Bank, de tandarts.

‘Nederzettingen behouden Erets-Israël’

Deze symbiose liep spaak op de groeiende Palestijnse weerstand tegen de agressieve nederzettingenpolitiek. De nationalistische Likud-leider Menahem Begin won in mei 1977 de verkiezingen met de belofte dat er honderden nederzettingen zouden worden gesticht om Erets-Israël, het Land van Israël, voor de Joodse staat te behouden.

Tien jaar later brak de Eerste Intifada uit, die tot 1993 zou duren, het jaar waarin de Oslo-akkoorden over Palestijns zelfbestuur werden gesloten. De akkoorden moesten de weg bereiden naar een definitief einde aan het Israëlisch-Palestijns conflict. Maar de hoop op vrede stierf in 1995, met de moord op premier Yitzhak Rabin, de bevelhebber van ‘1967’, en de pragmatische socialist die zijn handtekening onder ‘Oslo’ had gezet. Daarvoor had hij in 1994 nog de Nobelprijs voor de Vrede gedeeld met de Palestijnse leider Yasser Arafat.

Gebrek aan politieke moed

Verschillende Amerikaanse presidenten hebben sindsdien vredespogingen ondernomen. Bill Clinton en Barack Obama stuitten daarbij op Israëlisch gebrek aan politieke moed en onwil om in bezet gebied plaats te maken voor een Palestijnse staat. Ook in de Amerikaanse binnenlandse politiek was de weerstand daartegen zeer hoog.

De Republikein George W. Bush voerde een incoherente Midden-Oostenpolitiek, de nieuwe Republikeinse president Donald Trump wijst nu Saoedi-Arabië aan als beoogd bruggenbouwer tussen de sunnitische Arabische wereld en Israël.

Ook Israëls leiders aarzelden. Ehud Barak was de meest onderscheiden Israëlische militair; hij speelde een sleutelrol in de oorlog van 1973 en nam deel aan een reeks commando-operaties, waaronder de beëindiging van de gijzeling in Entebbe in 1976. Maar als premier, vanaf 1999, faalde hij. Hij bleef twijfelen over de belangrijkste politieke beslissing in zijn leven, en miste zo de laatste reële kans op vrede: hij durfde het niet aan Oost-Jeruzalem over te dragen als hoofdstad van een te stichten Palestijnse staat onder Yasser Arafat.

Met territoriale concessies aan Arafat had Barak tijdens de onderhandelingen in Camp David (2000) op basis van grenscorrecties geen moeite. Maar Jeruzalem – met de Klaagmuur, de Rotskoepel en de Al-Aksamoskee – was vanuit nationalistisch en religieus standpunt een onoverkomelijk breekpunt voor Barak en Arafat. In een Israël dat steeds nationalistischer wordt, is men niet minder hard over die kwestie gaan denken. Integendeel zelfs.

Wat zou Sharon gedaan hebben?

Likud-premier Ariel Sharon, de hartstochtelijke bouwer van nederzettingen in bezet gebied, trok Israël in 2005 terug uit Gaza – nota bene zonder Palestijnse tegenprestatie. Dat was opmerkelijk. Maar deze ijzervreter en een van Israëls militaire helden kwam tot het inzicht dat het niet in Israëlisch belang was om de last van de bezetting nog langer te dragen. Ik durf te speculeren dat hij om dezelfde reden grote delen van de Westelijke Jordaanoever zou hebben ontruimd, of in overleg met de Palestijnse Autoriteit of zonder overeenkomst. We zullen het nooit weten want Sharon kreeg een beroerte en lag tot zijn dood in 2014 in coma.

Likud-premier Ehud Olmert werd in 2009 op beschuldiging van corruptie tot aftreden gedwongen, juist op het moment dat vrede volgens hem binnen handbereik was. Dat was de volgende kans op vrede die verloren ging.

Amerikaanse wapens, politieke - en diplomatieke steun hebben de Frans-Israëlische alliantie na 1967 vervangen. Voor die tijd hield Amerika zich afzijdig. Maar de bliksemoverwinning op de door de Sovjet-Unie uitgeruste en getrainde Egyptenaren en Syriërs openden de ogen van Amerikaanse beleidsmakers, daarbij aangespoord door een krachtige Joodse lobby.

Tijdens de Koude Oorlog zou Israël een sleutelspeler in het Midden-Oosten worden. Franse Mirages verdwenen; Amerikaanse Skyhawks, Phantoms, F-15’s en F-16’s deden hun intrede. Het Israëlische leger werd op Amerikaanse leest geschoeid. Miljarden dollars stroomden naar de schatkist in Jeruzalem. De Israëlisch-Amerikaanse alliantie is ongeschreven, maar sindsdien een permanent gegeven.

Amerikaanse invloedssfeer

In 1973 wist Israël de Egyptisch-Syrische verrassingsaanval af te slaan. De Jom Kipoeroorlog maakte een einde aan de Sovjet-invloed in Egypte. De Egyptische president Anwar Sadat zag dat de sleutel voor heropening van het Suezkanaal en terugkeer van de Sinaï-woestijn onder Egyptische vlag niet in Moskou lag, maar in Washington. Sindsdien zit Egypte stevig in de Amerikaanse invloedssfeer.

Via Amerikaanse bemiddeling werd in 1979 op het Witte Huis de Israëlisch-Egyptische vrede getekend. Dat was het prille begin van de integratie van de Joodse staat in het Midden-Oosten.

Na hun nederlaag in 1973 besloten Arabische landen op een top in Khartoem niet met Israël te onderhandelen, geen vrede met Israël te sluiten en Israël niet te erkennen. Maar de realiteit drong zich op. Het Israëlische leger lag aan het Suezkanaal en op de Golan, niet ver van Damascus. Jom Kipoer was geen nieuwe vergeefse poging geweest Israël te vernietigen, de omringende landen wilden alleen hun in 1967 verloren gebied te heroveren. Daarmee hebben ze de facto Israël erkend.

De Zesdaagse Oorlog maakte van Israël een fait accompli.

Maar een permanente vredesregeling met de Palestijnen is naar mijn stellige overtuiging noodzakelijk. Om Israëls verworven plaats in het Midden-Oosten voor langere tijd te garanderen. Én om Israël als een democratische Joodse staat te behouden. Dat is niet alleen een kwestie van Israëls onbetwistbare technologische en militaire macht. Het is ook zijn grootste morele uitdaging.