Waar blijven de rechtse columnisten van NRC?

Wat hem opviel, zei Ian Buruma afgelopen zaterdag in een gesprek met Guus Valk, was dat „de interessantste gedachten nu op rechts worden gevormd”. Hij dacht daarbij aan nuchtere, conservatief-rechtse kritiek op Trump.

Of hij gelijk heeft, weet ik niet, ook ter linkerzijde kolkt het van neo-utopische gedachten, zoals over een basisinkomen. Maar zijn opmerking deed me wel denken aan brieven van lezers die een ‘rechts geluid’ missen in de krant. Meestal gaat het hun dan om de NRC-columnisten, die allemaal op een links-liberaal kluitje zouden zitten.

Zo schrijft een getergde lezer: „Het is volkomen politiek correct. Het enige voordeel om NRC Handelsblad te blijven lezen is dat men op de hoogte blijft wat er zoal leeft in zelfhatend Nederland.” Anderen drukken zich milder uit, maar het refrein is vaak hetzelfde: alles bij elkaar zijn de columnisten te ‘links’. Dat gevoel wordt nog aangejaagd door de opgeklopte dichotomie van ‘weldenkende elite’ en ‘gefnuikt volk’.

Kleine nuance, dat woord ‘links’ zorgt al snel voor spraakverwarring. Het heeft, net als zijn broertje ‘Gutmensch’, de plaats ingenomen van ‘rechts’ en ‘racist’ uit de jaren tachtig: dooddoeners, bedoeld om ‘foute’ opvattingen – of personen – buiten de orde te verklaren.

Over NRC als geheel zou ik eerder zeggen dat die, begonnen als sceptisch-liberale krant (economisch conservatief, cultureel progressief), na een gestage verschuiving naar links-liberaal, momenteel in een post-ideologische fase verkeert, waarin niet zozeer links of rechts de toon zet, maar een eclectische, geprofessionaliseerde opvatting van journalistiek als ‘het gesprek van de dag’ – en dat kan alle kanten opgaan.

Onversneden klassiek links in de marxistische zin van klassenstrijd of de Uyliaanse van spreiding van kennis, macht en inkomen, zou ik geen enkele NRC-columnist noemen. De economische columnisten zijn nog overwegend rechts-liberaal, politiek zit de krant dicht tegen het centrum (dat zoals bekend op zichzelf onder populistische verdenking staat als links). Maar inderdaad, in maatschappelijk-cultureel opzicht zijn de meeste columnisten overduidelijk links-liberaal of progressief.

En daar zit hem nu net de kneep. Want het publieke debat in Nederland is in hoge mate ‘geculturaliseerd’: het gaat al jaren over weinig anders dan over culturele kwesties rond immigratie, integratie en de islam. Juist die onderwerpen zijn inzet geworden van een felle strijd om culturele hegemonie.

Tegen die achtergrond kan ik me de klacht van die lezers voorstellen, niet omdat er een poppetje in de etalage ontbreekt, maar omdat te veel progressieve eensgezindheid niet goed is voor een krant die wil stimuleren tot nadenken – en niet tot eenstemmigheid.

Het punt is, het ‘rechtse’ geluid wás er en is er soms nog: op de Opiniepagina staan geregeld zulke stukken, van mild tot extra heet; inclusief geharnaste scribenten als Ebru Umar en Annabel Nanninga, die van elke discussie een aanklacht weten te maken – ook een probleem. Als columnist figureerden Afshin Ellian (2003-2011), Derk-Jan Eppink (2010-2012) en Thierry Baudet (2011-2012), die ook voor zijn losse stukken tegen de EU ruim baan kreeg. Tijdelijke versterking kwam van PVV-denker Martin Bosma (2010-2011).

Maar Ellian, Eppink en Baudet kregen hun congé, en sindsdien is er ontegenzeggelijk een gat op de rechterflank van de krant gevallen. Dat valt misschien nog extra op omdat het Commentaar een consequent links-liberale koers vaart: pro-EU, multicultureel, bestraffend over GeenStijl, en donderdag wars van „het verdachtmaken van radicalisering” onder moslimjongeren.

Is de krant dan nog divers genoeg? Kort na zijn aantreden in 2010 liet de hoofdredacteur weten dat hij twee dingen vond van de columnisten: het waren er te veel, en ze waren te links.

Over het streven naar columnistenreductie kunnen we kort zijn: dat is mislukt. Hun aantal is alleen maar toegenomen, tot meer dan veertig (‘rubrieken’ over één thema niet meegeteld).

Je kunt je trouwens afvragen of dat zo erg is, zolang het niet ten koste gaat van de verslaggeving. Lezers klagen wel over het oerwoud aan columnisten, maar ze slingeren ook maar wat graag van liaan naar liaan – al is het maar om te zien of er iemand uit een boom valt.

Het tweede punt, de variatie, is nijpender. Een krant moet een eigen standpunt hebben, maar daarnaast een breed palet aan goed geïnformeerde meningen bieden waar de lezer zijn eigen denkwerk mee kan doen.

Nu staat de zaak niet stil. Qua afkomst zijn de columnisten diverser geworden – meer vrouwen, meer niet-witte Nederlanders – en dat is geen homeopathische verdunning, dat is winst. Hen binnenhouden is weer een andere kwestie.

Maar de krant zou ook eer moeten inleggen met een conservatieve of sceptische stem, en dan niet een uit de overvolle wachtkamer van dokter Tourette. Dat proef ik althans uit de post van lezers met heimwee naar J.L. Heldring en diens column (1960-2012). Er is behoefte aan zo’n bezonken, nuchter geluid, tussen alle patriottische of juist ruimdenkende geloofsbelijdenissen.

Dat vinden zal niet eenvoudig zijn, want opiniejournalistiek is een ideologisch wapen geworden. Daarbij gaat het vaak minder om inzicht – uit historische kennis, onderbenutte rapporten of desnoods een sociologieboek – dan om persoonlijk expressionisme en het etaleren van de eigen voortreffelijkheid.

In dat klimaat zou de krant juist ‘op rechts’ onderscheid kunnen maken met columns die je niet zozeer deemoedig of opgezweept de kerk doen verlaten, maar vooral met iets dat je nog niet wist, of niet zelf had bedacht.

Zíjn er zulke bedachtzame conservatieve stemmen, of is de krant daar niet meer het platform voor?

Reacties: ombudsman@nrc.nl