Vluchteling ziet gevaren water niet

Zwemles

Buitenlandse kinderen verdrinken volgens het CBS „significant vaker” dan Nederlandse kinderen. „Ze ervaren geen noodzaak om te leren zwemmen.”

Zwemles voor vluchtelingen in Deventer Foto Bram Petraeus

De stem van badjuf Leoni Smit galmt door de zwemhal heen. Terwijl Smit bij alle kinderen drijfkurkjes ombindt, duikt een Syrische jongen vanaf de kant in het ondiepe bad. Gedecideerd wijst de badjuf naar het gele bordje aan de muur: door een mannetje in duikhouding staat een groot zwart kruis. Articulerend: „Niet dui-ken, niet dui-ken!”

In zwembad De Scheg in Deventer leren dertig vluchtelingkinderen uit asielzoekerscentrum Schalkhaar de basisvaardigheden van het zwemmen. De kinderen leren drijven, watertrappelen en op de kant klimmen. Schoolslag en duiken. Jongetjes en meisjes, in ondergoed, zwembroek of legging en T-shirt, spartelen in het water. Badmeester Perry Jansen: „Ze zijn nog nooit in een zwembad geweest. Dit is voor hen echt de Efteling.”

Donderdag doet de Utrechtse rechtbank uitspraak in de zwembadzaak. Drie badmeesters en twee basisschooldocenten uit Rhenen worden door het Openbaar Ministerie aansprakelijk gehouden voor de dood van de negenjarige Salam uit Syrië. Het meisje overleed in september 2015 tijdens het schoolzwemmen in zwembad ’t Gastland en lag bijna een kwartier op de bodem van het diepe bad. Toezichthouders hielden Salam onvoldoende in de gaten, vindt het OM. Hun punt: Salam had geen zwemdiploma.

De afgelopen twintig jaar verdronken ruim 1700 personen in Nederland, volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Een kwart kwam uit het buitenland. 221 kinderen waren van niet- westerse komaf. Buitenlandse kinderen verdrinken volgens het CBS „significant” vaker dan Nederlandse kinderen. Hoe komt dat?

Koen Breedveld, hoogleraar sportsociologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en directeur van het Mulier Instituut voor sportonderzoek, onderzocht in 2009 de zwemvaardigheid van migranten in Nederland. Volgens hem ontbreekt in de thuislanden van veel vluchtelingen een „zwemcultuur”. Ze worden veel minder geconfronteerd met water, zegt hij. Water wordt veelal gezien als „iets moois” , maar – en daarin schuilt het gevaar volgens de hoogleraar – de kracht en het gevaar ervan wordt onderschat. Logisch gevolg: „Ze ervaren geen noodzaak om te leren zwemmen.”

In Nederland is die noodzaak er wel. In buitengebieden (meren), in het centrum van steden (grachten, in zwembaden): overal is water. Maar de zwemles heeft geen prioriteit bij vluchtelingen, zegt Breedveld. Veel vluchtelingen hebben andere zaken aan hun hoofd . Ze zitten middenin de asielprocedure en proberen hun leven op orde te krijgen. Of de financiële middelen zijn te beperkt. Breedveld: „Ze besteden het weinige geld liever aan iets anders.”

Volgens André Timmerman, expert op het gebied van zwembaden en zwemvaardigheid, mag geldgebrek nooit een reden zijn voor vluchtelingen om geen zwemlessen te volgen. Er zijn volgens hem genoeg regelingen voor sociale minima die vluchtelingen in staat stellen zwemlessen te volgen. Het probleem, volgens hem: „Deze regelingen zijn onvindbaar.” De overheid moet, vindt hij, meer haar best doen de regelingen onder de aandacht te brengen. „Vluchtelingen hebben vaak geen idee wat een zwembad is.”

Bang voor water

Dat is in Deventer wel anders. De zwemles wordt gefinancierd door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, zegt badmeester Perry Jansen. Vorig jaar behaalden, vijftien kinderen uit het azc hun zwemdiploma A bij De Scheg.

In het ondiepe bad drijven de meeste kinderen op hun rug. Moeder Sherine houdt de prestaties van zonen Abram (8) en Bola (6) nauwlettend in de gaten. Zelf heeft ze ook geen zwemdiploma. Aanvankelijk waren haar kinderen bang voor het water, zegt ze. Maar na een aantal lessen hebben ze de smaak te pakken.

Sherine is niet door het COA gevraagd om toezicht te houden. „Maar ik blijf toch een moeder”, zegt zij.

Tot aan de kleedkamers is het COA verantwoordelijk voor de kinderen, zegt badmeester Jansen, daarna het zwembadpersoneel. Na het zwemmen worden de kinderen naar de douche begeleid en daarna brengen de badjuffen de kinderen terug naar de kleedkamers. „Zo proberen we de kans op incidenten te verkleinen”, zegt Jansen. Honderd procent veiligheid is volgens hem een illusie: „Waar water is, is gevaar.”