Schreeuwers konden haar niet verjagen

Annie Brouwer-Korf (1946-2017) lag als burgemeester zwaar onder vuur van de protestpartij Leefbaar Utrecht.

Annie Brouwer-Korf kreeg van huis uit mee dat praten niet genoeg was. Je moest iets dóen.

Vóór middernacht was het schreeuwen, na middernacht werd het huilen, schreef de verslaggever. En zo was het in 1999 vlak na het aantreden van burgemeester Annie Brouwer-Korf elke raadsvergadering. De gemeenteraad van Utrecht veranderde onder aanvoering van Leefbaar Utrecht in een strijdperk en de burgemeester was de nieuwe juf.

Henk Westbroek op luide toon: „Slapen doen we ’s nachts voorzitter.” Of: „Nou voorzitter, dan ga ik maar even een sigaretje roken.” En, circa dertig keer: „Mevrouw de voorzitter, mag ik éven een verduidelijkende vraag stellen.”

„Het lawaai tolereerde ze, maar de inhoud niet”, zegt Dick Hoek, voormalig CDA-raadslid en vriend van Brouwer. „Ze trad er hard tegen op.”

Twee weken geleden overleed Annie Brouwer, 70 jaar oud, in Utrecht. Honderden Utrechters sloten zich aan bij haar afscheidsstoet.

Als dochter van een Groningse hoofdonderwijzer kwam ze uit een rode wereld. „Ze zongen socialistische strijdliederen”, zegt Hans Brouwer, haar latere man. „Haar vader begeleidde op de piano, Annie speelde blokfluit.” Later zei ze zelf over haar opvoeding in de Volkskrant: „Mijn vader vond ook dat je niet kon volstaan met het betalen van contributie. Je moest actief zijn, in een bestuur gaan zitten of zo. Je mocht niet alleen praten, je moest wat doen. De samenleving opbouwen.”

Ze studeerde rechten in haar geboortestad, ontmoette daar Hans en trok met hem naar Nijmegen. Pas een noodlottige gebeurtenis herinnerde haar aan de woorden van haar vader.

Op 23 mei 1977 zat Annie Brouwer in de intercity die bij De Punt werd gekaapt. Ze was drie maanden zwanger en onderweg naar haar werk. De Molukse kapers hielden in de coupé donderpreken over het onrecht dat hen was aangedaan, vertelde ze later aan haar man. „Of wij krijgen gelijk”, hadden ze gezegd. „Of jullie zijn er allemaal geweest.” Hans Brouwer: „En dan zetten ze af en toe een pistool tegen haar hoofd.”

Was het de angst, de onvrijheid die ze die twee weken lang voelde? In het Volkskrant-interview noemde ze de kaping een keerpunt. „Toen ik weer recht op mijn benen stond, ben ik naar een PvdA-ledenvergadering in Nijmegen gegaan en heb gevraagd wat ik zou kunnen doen.”

Ze kreeg een dochter en een zoon. Ze werd gemeenteraadslid en wethouder Sociale Zaken in Nijmegen, waar ze onder andere het jeugdwerkgarantieplan invoerde.

„Een lokalo”, noemde ze zichzelf, liefst dichtbij de burgers. En „een zondagskind”, want voor elk burgemeesterschap dat ze bekleedde, werd ze gevraagd: Zutphen, Amersfoort, Utrecht. Ze was altijd gedreven, soms zwaar op de hand. Hans Brouwer: „In de tijd van de nachtelijke debatten in de Utrechtse raad, zei ze: ‘Als ik weg ga, bepaal ík het moment en niet de schreeuwers van Leefbaar Utrecht’.” Ze concentreerde zich in de stad op de verslaafdenzorg, sprak bedrijven aan op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Toen kwam Leefbaar Utrecht met drie wethouders in het college. De partij die zich steeds tegen het establishment had gekeerd, bleek geen politieke contacten te hebben in Den Haag. En dus nam Brouwer wethouder Yet van den Bergh, verantwoordelijk voor de aanleg van een busbaan, mee naar het ministerie van Verkeer en Waterstaat. „De onervaren bestuurders leunden op haar netwerk”, zegt Hans Brouwer. „Van een schietschijf in de raad werd ze plotseling verheerlijkt.”

Broos Schnetz, destijds voorzitter van Leefbaar Utrecht spreekt over Annie Brouwer als „coach” van de wethouders. Hij vertelt over het Brigittenstraat-beraad in tijden van crisis, bij haar thuis. Bijvoorbeeld bij een ruzie tussen de Leefbaar-wethouders. „Onze partij was explosief”, zegt Schnetz. „Maar zij zei: ‘In het belang van de stad mag er geen breuk ontstaan’.”

Hans Brouwer vraagt zich wel eens af of „het leven niet leuker was geweest zonder de stress van Leefbaar Utrecht”. Het verbaast Schnetz dat te horen. „Ik had juist het idee dat onze weerbaarheid haar energie gaf, dat ze het boeiend vond.” Toen Schnetz vorig jaar 65 werd, was Annie Brouwer er ook. Breekbaar, maar hartelijk tegen haar politieke tijdgenoten. Ze sprak over haar „tropenjaren”. De Leefbaren hadden plaatsgemaakt voor verbetener en minder tot samenwerking bereide opvolgers: PVV, Denk. „De moppercultuur,” zei Brouwer, „is een factor van betekenis geworden in ons politieke bestel”.