De vorm blijft een mysterie

Niet elk werk kan op een pronkplek in het museum hangen. In de marge vind je de ‘voorbijgangers’. Wim Pijbes laat u elke maand stilstaan bij zo’n stille schat.

Vandaag:

een viool aan flarden geschilderd

Foto Merlijn Doomernik

Eigenlijk is Picasso wel de laatste kunstenaar die je op deze plek zou verwachten. Deze rubriek is immers gewijd aan vergeten en weinig opgemerkte museumstukken die al jaren stilletjes in de hoek hangen. Maar soms zijn juist bekende meesterwerken het slachtoffer van hun eigen roem. Wanneer zag u voor het laatst een Picasso? En wanneer bekeek u er voor het laatst eentje echt? Zien en kijken is immers niet hetzelfde. Ik moest daar aan denken toen ik onlangs in het Kröller-Müller Museum was. De meeste bezoekers komen daar voor de weergaloze Van Gogh-collectie of het prachtige beeldenpark, maar de collectie biedt nog veel meer. Tussen al dat moois valt deze viool van Picasso haast niet op, toch is het welbeschouwd een van zijn zuiverste voorbeelden van het kubisme waaraan je (achteraf) kan zien dat de kunstgeschiedenis plots een andere wending nam.

Als eerstejaars student kunstgeschiedenis verdiepte ik me al eens uitgebreid in dit schilderij. Dat was in 1983. Vast onderdeel van de studie was het nauwkeurig beschrijven van een schilderij door aandachtig te kijken, opnieuw te kijken en vervolgens in woorden te vatten wat je zag. En dat viel nog niet mee. De zogenaamde ‘beeldbeschrijving’ die ik destijds maakte, vijf inmiddels vergeelde A4-tjes (met een verroest nietje) heb ik altijd bewaard. Deze Voorbijganger voert me langs memory lane, naar een vergeten liefde. Wie voor dit ovale doek staat ontdekt, verspreid over het vlak, allerlei tekens en symbolen uit de wereld van de muziek. De titel van het schilderij rechtvaardigt deze gedachte. De klankgaten van de hals, de kam, snaren en de aanzet van de welving van een vioolkast verwijzen naar dit instrument. De onderlinge maatverhouding is echter niet in overeenstemming met de werkelijkheid. Ons oog probeert deze verschillen te corrigeren. En terwijl onze blik over het doek beweegt en aanknopingspunten zoekt, blijft de uiteindelijke vorm een mysterie. „Ik schilder niet wat ik zie, ik schilder wat ik denk”, zou Picasso jaren later laten optekenen. En zo is het maar net.

Een ander aspect van dit schilderij is het van binnenuit vervagen van de lijnen. In het centrale gedeelte zijn de grijze, bruine en oker vlakken nog duidelijk onderscheiden. Naar de randen toe is het verschil minder scherp, lijken de lijnen op te lossen en de kleuren in elkaar te lopen. Het schilderij laat geen dieptewerking of ruimte zien. Door het wegvallen van ruimte en perspectief ontstaat een nieuw soort orde, slechts gebaseerd op de onderlinge afstand en grootte van de verschillende leesbare symbolen. Picasso’s viool heeft hier niet één absolute vorm maar is de verschijning van een object, afhankelijk van verschillende gezichtshoeken en observaties. Hij ontleedt zijn onderwerp en bouwt het vervolgens weer op in een stijl die later bekend zou worden als analytisch kubisme. Tot zover de kunstgeschiedenis, je mag ook zeggen dat Picasso hier een viool aan flarden schildert.