‘We zijn niet van die moestuintypes, hoor’

Spitsuur

Esther (37) en Bart Biesot (39) hebben beiden een ‘groene’ baan. Zij heeft haar eigen tuinstylingbedrijf, hij nam het hoveniersbedrijf van zijn opa over: „Mijn moeder maakt mijn brood en geeft ‘t in een zakje aan mijn vader mee.”

Bart: „Op zaterdag ga ik met de kids de speelgoedwinkel in.” Esther: „Laatst zei iemand: ‘Altijd als ik Bart zie met de kinderen hebben ze een cadeautje.” Foto David Galjaard

Bart: „Mijn opa is het familiebedrijf zeventig jaar geleden gestart. We zijn gespecialiseerd in het ontwerpen, aanleggen en onderhouden van tuinen en parken.”

Esther: „Ik heb vijftien jaar in de reclame gewerkt. Ik was hoofd klantrelaties, een leidinggevende functie. Aan de ene kant heel erg leuk, maar ik kon mijn creativiteit niet genoeg kwijt.”

Bart: „Vroeger ging ik al met mijn vader mee, elke vakantie veegde ik straatjes schoon.”

Esther: „Vanaf je vierde.”

Bart: „Dat is een beetje overdreven.”

Esther: „Ik heb mijn eigen winkel in tuinstyling. Die hele tuinmeubelwereld wordt vrij Nederlands benaderd: binnen zetten we nog wel een dure bank neer, maar buiten staat er een Karweitje.Zonde, vind ik.”

Bart: „Soms is het ook wel uitdagend zo’n familiebedrijf.”

Esther: „Het is natuurlijk al de derde generatie. Gestart door opa, doorgezet door vader en oom, nu door twee neven. En ik zit ook om de hoek. We delen geen kantoor maar mijn winkel zit in een loods op hetzelfde terrein.”

Bart: „Ik heb nooit bij mezelf gedacht: nu wil ik de zaak in. Het is gewoon zo gelopen. Het ging eigenlijk automatisch, ook tijdens mijn studiekeuze. Het klopte met mijn gevoel. Dingen mooier maken dan ze zijn, dat vind ik leuk. Van een oude tuin een hele mooie tuin maken dus ook.”

Esther: „Ik denk dat het nu tuinen is geworden omdat het een logische stap was, maar het had ook iets met gebouwen kunnen zijn. Bart is gewoon heel creatief.”

Zes boterhammen

Esther: „Bart gaat om zes uur ‘s ochtends weg. Voor het ontbijt zie of spreek ik hem niet.”

Bart: „Ik eet bijna niet, soms alleen wat tussendoor. In tien minuten rijd ik naar de zaak. Tussen half zeven en kwart voor zeven komen de jongens binnen. Dan doen ze even een kop koffie bij ons in de kantine. Om zeven uur bespreken we het werk en gaan ze naar de klant toe. Ik doe dan nog even mijn mail. En nee, dan heb ik nog steeds niet gegeten.”

Esther: „Soms kom ik daar om tien uur en vraagt hij: ‘Heb je eten bij je?’”

Bart: „Koffie ‘s ochtends, dat vind ik echt niets. Als de jongens weg zijn begin ik met ontwerpen. Of ik ga bij klanten langs om dingen te overleggen of de klus te begeleiden. Daarna ga ik terug naar de zaak en maak ik offertes af. Rond twaalf uur eet ik pas iets.”

Esther: „Ik heb het weleens meegemaakt dat Bart om zes uur thuiskwam en nog steeds niets had gegeten.”

Bart: „Maar ‘s avonds stop ik niet meer met eten, dan eet ik heel veel.”

Esther: „Een heel gezond systeem.”

Bart: „Om twaalf uur eet ik vaak een broodje. Mijn moeder maakt mijn boterhammen en die geeft die dan in een zakje aan mijn vader mee.”

Esther: „Maar dit wordt straks een probleem want zijn vader gaan binnenkort met pensioen.”

Bart: „Erg hè, dat ik dit gewoon zeg! Zes boterhammen. Mijn moeder doet er ook twee chocolaatjes bij en die eet ik wel altijd onderweg in de auto.”

Esther: „Ik maak mijn lunch gewoon zelf. Of ik haal ergens iets.”

Geen buitenschoolse opvang

Bart: „Rond half vijf probeer ik weer op de zaak te zijn. Dan komen de jongens terug en bespreken we de dag. De jongens drinken nog een biertje, daarna ga ik nog even verder. Maandag en dinsdag eet ik vaak bij mijn ouders. Dan zijn de kids daar ook, dus neem ik ze daarna mee naar huis.”

Esther: „Dan eet ik thuis iets gemakkelijks, bijvoorbeeld een soepje van de Albert Heijn. Soms eten we ook samen, maar dan hebben kinderen al bij de opa’s en oma’s gegeten.”

Bart: „Woensdag is Esther thuis en donderdag is mijn schoonmoeder aan het oppassen.”

Esther: „Vrijdag zijn ze om de week bij mijn schoonouders of mijn ouders.”

Bart: „Nee, de kinderen gaan nooit naar de buitenschoolse opvang.”

Esther: „Op maandag en woensdag ben ik er. Als de kinderen in bed liggen praten we nog wat na over werk: over de kleur van de bloempotten of Bart laat een ontwerp zien.”

Bart: „Daarna ga ik een serie kijken.”

Esther: „Ik zit ‘s avonds achter de computer: voorstellen maken, sociale media, offertes. Gisteren zat ik er nog tot half twee.”

Leven op een boerderij

Bart: „Op zaterdag werkt Esther in de winkel en dan kleed ik de kids aan. We gaan de speelgoedwinkel even in en doen boodschappen.”

Esther: „Cadeautjes kopen. Laatst sprak ik een vriendin, die zei: ‘Altijd als ik Bart zie met de kinderen hebben ze een cadeautje in hun hand.”

Bart: „Er zit heel veel pit in de meiden. Ze hebben echt een eigen wil.” Esther: „Ze zijn ondernemend. Maar dat is niet zo gek want wij zijn ook overal met ze naar toe gegaan. Wij zijn altijd op zoek naar spanning. Mijn schoonzus zei laatst ook: ‘Zonder project wordt jullie leven saai.’ Eigenlijk vind ik het ook heel saai dat we hier al negen jaar wonen.”

Bart: „In mijn vrije tijd teken ik auto’s. Ik ga binnenkort meedoen aan de zeepkistenrace van Red Bull. Voor mijn veertigste wilde ik nog wat spannends doen – dat is dit geworden. Het thema is Dukes of Hazard, want je moet ook een berg afspringen.”

Esther: „We willen ook weer een keer verhuizen. Uiteindelijk zouden we het liefst wonen en werken combineren. Op een boerderij bijvoorbeeld.”

Bart: „Het hoeft niet per se een boerderij te zijn, maar wel dat je wat meer ruimte hebt – dat je het buitenleven kunt combineren met binnen.”

Esther: „Ik heb geen groene vingers, maar ik vind het wel heel belangrijk alles mooi en gezellig te maken buiten. Buiten en binnen met elkaar verbinden, daar geniet ik erg van. Maar wij zijn geen moestuintypes, hoor.”