Column

Man met capuchon

Halverwege de morgen stapte ik op de metro naar Gein in Amsterdam-Zuidoost. Boven de grond was het al warm, de zon had er zin in. Mijn trein stond met geopende portieren klaar, wat me reuze meeviel want meestal maakt hij zich meteen uit de voeten zodra hij mij op de trap ziet naderen.

Omdat het spitsuur voorbij was, waren er nog vrije zitplaatsen genoeg. Ik ging zitten en sloeg de Metro op, die ik bij de ingang uit een bak had gegrist. Enkele jaren geleden stonden er op de stations nog ijverige jongens met dergelijke gratis kranten te zwaaien. Nu liggen deze kranten hulpeloos op nieuwsgierige passagiers te wachten; het duurt lang voordat de bakken leeg zijn. Hoeveel zorgen hadden de grote kranten zich destijds wel niet gemaakt over deze gratis kleintjes? Er zijn inmiddels andere zorgen.

Bladerend door de krant keek ik terloops naar het rijtje stoelen tegenover me. Daar zat één man, een twintiger. We keken elkaar even aan. Het was een donkere man, vermoedelijk van Noord-Afrikaanse afkomst. Boven zijn blauwe spijkerbroek droeg hij een hoog gesloten, zwart jack waarvan hij de capuchon diep over zijn voorhoofd had getrokken, zodat zijn gezicht nauwelijks zichtbaar was.

Het was alsof ik naar een ijsbeer op de evenaar zat te kijken. Allerlei reizigers liepen ons voorbij, zonder uitzondering uiterst zomers gekleed. Ik deed alsof ik niets bijzonders had gemerkt en begon in mijn krantje te lezen. Er stond een column in van collega Elfie Tromp over de posters in Rotterdam met kussende stelletjes in bushokjes.

Onder het lezen keek ik af en toe door mijn oogharen naar de man tegenover me. Wat bezielde hem? Met deze warmte! Ik probeerde te zien of hij bagage bij zich had, maar ontdekte niets. Misschien achter zich? Niet waarschijnlijk, want hij leunde af en toe met zijn rug tegen de wand.

Het viel me op dat nog steeds niemand bij ons was komen zitten. Dat gebeurde pas toen de trein langzaam vol liep en er weinig keus meer was. Ik vroeg me af of ook ik niet beter verderop had kunnen plaatsnemen, maar meteen daarop snauwde ik bijna hoorbaar tegen mezelf: „Stel je niet aan, er is niets aan de hand.”

De deuren sloten, de trein vertrok, ik ging verder met Elfie Tromp. Goede, vrijmoedige column met uitdagend einde: „Hoewel de campagne door de criticasters provocerend wordt genoemd, gaat hij voor mij nog niet ver genoeg; graag zie ik in de volgende versie zoenende mannen, transgenders en wat mij betreft ook polyamoreuze koppels. Misschien een mooie insteek voor een campagne tijdens kerst?”

Ik keek weer even naar de overkant. Hij zocht iets in zijn broekzak, terwijl hij overhelde naar zijn linkerbil. Ik wilde verder lezen, maar het lukte niet goed, ook omdat onder Elfie een bericht stond met de kop: „Studente steekt chauffeur hart onder de riem.” Ik bleef steeds hangen bij dat ‘steekt’.

Eindelijk! De man haalde een half opgerookte joint tevoorschijn. Zou hij hem tevreden oproken en zou iemand van ons er dan iets over durven zeggen? Of zouden we juist allemaal stiekem opgelucht ademhalen?

We hadden station Bijlmer Arena bereikt. De man stond op, de joint nog steeds uitgedoofd in zijn hand. Hij hield zijn capuchon op terwijl hij de blakende zon tegemoet ging.