Column

Lezen als voorspel op het kwaad

Michel Krielaars

Publieke intellectuelen hebben vaak het beste met de mensheid voor. Zo pleitte David Van Reybrouck in het onlangs gepubliceerde essay Vrede kun je leren, dat hij samen met een specialist op het gebied van geweldloze communicatie schreef, ervoor om op scholen mindfulness-training te introduceren, zodat agressieve types – lees potentiële terroristen – positieve gedachten ontwikkelen en van geweld afzien. Dat klinkt behartigenswaardig, maar ik vraag me af of het werkt. Waarom zou iemand die zich met een bomgordel wil opblazen dankzij mindfulness ineens een lieve schat worden?

Vergelijkbare twijfels heb ik over de opvatting van publieke intellectuelen dat je empathie toeneemt als je veel romans leest. Het deed me gisteravond naar het essay Tintelingen van de Britse literatuurcriticus James Wood grijpen. ‘In een roman kun je van alles tegenkomen,’ schrijft Wood, ‘atheïsten, snobs, vrijdenkers, overspeligen, moordenaars, dieven, gekken die over Castiliaanse vlakten paardreden of die rondzwierven in Oslo of Sint-Petersburg, jonge mannen op zoek naar seks in Parijs, jonge vrouwen op zoek naar seks in Londen, naamloze steden, niet-bestaande landen, allegorische en surreële landen, een mens die in een kever verandert, een Japanse roman die wordt verteld door een kat, inwoners van allerlei landen, homoseksuelen, mystici, landeigenaars en butlers, conservatieven en radicalen, radicalen die ook conservatief waren, intellectuelen en dwazen, intellectuelen die ook dwazen waren, de levenden en de doden.’ Het is de wereldliteratuur in een notendop.

Toch denk je bij die opsomming van Wood niet meteen aan literatuur als een empathie verhogend middel. Daarentegen vrees je eerder voor de schadelijke gevolgen voor de lezer van een roman waarin verkrachters, moordenaars, dieven en terroristen voorkomen. Zo’n roman zou je na een paar honderd bladzijden empathisch leesplezier wel eens op gevaarlijke ideeën kunnen brengen.

Het beste voorbeeld waarmee je de empathie bevorderende rol van literatuur onderuit kunt halen is de Russische dictator Josif Stalin. Naast het vermoorden, verbannen en in kampen opsluiten van miljoenen Sovjetburgers deed hij vrijwel niets anders dan romans lezen. Hij gold zelfs als een kenner van de 19de-eeuwse literatuur en maakte als een volleerd criticus aantekeningen in de marge van de 20.000 romans die hij las om zich te kunnen ontwikkelen, zoals zijn kompaan Molotov later onthulde.

‘Als je wilt weten met wie je te maken hebt,’ zei Stalin, ‘moet je uitzoeken wat hij leest.’ Voor de dictator zelf gold in dat geval het volgende lijstje schrijvers: John Galsworthy, Oscar Wilde, Guy de Maupassant, Honoré de Balzac, Victor Hugo, William Thackaray, Anatole France, Johann Wolfgang von Goethe, John Steinbeck, Nikolaj Gogol, Anton Tsjechov, Fjodor Dostojevski, Michail Zosjtsjenko, Boris Pasternak, Michail Boelgakov, Osip Mandelstam, Jaroslav Hasek. En dan kon hij als ex-seminariumleerling ook nog uitstekend citeren uit het boek der boeken, de Bijbel.

Stalin bewonderde schrijvers, die hij ingenieurs van de ziel noemde. Zolang ze maar geen kritiek op hem hadden. Anders konden ze zich voegen in de rij van miljoenen gearresteerden, van wie Stalin na lezing van een roman het lot bepaalde door zijn handtekening onder een executiebevel te zetten.