Interview

‘Iedereen heeft maar één verhaal te vertellen’

Autobiografie Ann Patchett (1963) was trots op haar fantasie. Autobiografische romans waren niet aan haar besteed. En nu is er Gemeengoed, een autobiografische roman, die toch weer deels verzonnen is. Hoe zit dat? En vanwaar dat boek over vrouwenkiesrecht?

Foto: Manuel Vasquez

Gemeengoed, de zevende roman van Ann Patchett, is het type boek, zegt ze zelf, dat mensen als debuut schrijven. Autobiografisch. Over haar jeugd. Een vader en een moeder uit twee gezinnen beginnen een affaire die hun huwelijken kapotmaakt en hun in totaal zes kinderen dwingt tot samenzijn. Dat heeft Patchett zelf als kind meegemaakt.

„Vroeger was ik er juist trots op,” zegt ze, „dat de romans die ik schreef niet autobiografisch waren.” Trots op haar fantasie. Die romans gingen bijvoorbeeld over de gijzeling van een operazangeres (Bel Canto, 2001) of over een vermiste wetenschapper in het Amazonegebied (State of Wonder, 2011).

En nu dit.

We zitten in de tuin van het Londense hotel waar de Amerikaanse schrijfster verblijft tijdens haar Brits-Ierse boektournee om Gemeengoed (Commonwealth) te promoten. We praten over magie, over dit boek en haar twee volgende. De felle zon volgt ons, we schuiven onze stoelen steeds opnieuw de schaduw in. Halverwege het gesprek moet ik een fors oranje-zwart insect uit het kraagje van haar jurk plukken.

Eén personage in Gemeengoed is een beroemde schrijver, Bellow-Roth-Updike-achtig, zegt ze. Hij eigent zich het verhaal van de zes kinderen toe en beschrijft het in een roman, waardoor een van de zoons iets over zijn eigen jeugd ontdekt. „Ik bén die schrijver”, zegt Patchett, „In mijn familie ben ik degene die succes heeft, dus ik ben die machtige persoon die het verhaal grijpt. Ik was daar echt bezorgd over: ook als mijn familieleden dat prima vinden, is het dan eerlijk? Zij weten niet wat er precies in het boek komt tot ze het lezen en dan is het te laat.”

Ze vroeg hun toestemming voor ze Gemeengoed ging schrijven. Haar stiefbroer, wiens personage in de roman achter zijn eigen geheim komt, omhelsde haar, zei dat ze mocht schrijven wat ze wilde. (Hij heeft het boek nog steeds niet gelezen. Hij is niet zo’n lezer.) Ze heeft wel, denkt ze, met het afmaken van het boek gewacht tot haar vader, die tijdens het schrijven ernstig ziek was, was overleden. „Al had het hem misschien helemaal niet kunnen schelen.”

En nu is het grappige: zo autobiografisch is het boek helemaal niet geworden. „Sommige dingen zijn echt gebeurd, andere niet.” Dat geheim van die stiefbroer? Verzonnen. „Weet je, je moet je eigen boek heel vaak lezen voordat het in de winkel ligt – redigeren, proefdrukken controleren – en bij de vierde keer dacht ik: wauw, het gáát niet eens over ons. Mijn moeder zei het ook: het bracht wel herinneringen boven, maar het gaat niet over ons. Het is gewoon weer hetzelfde boek als ik altijd schrijf: twee groepen mensen die niet samen willen zijn, worden gedwongen samen te zijn.” Gijzelaars en terroristen. Wetenschappers en Amazonebewoners. Kinderen uit het ene en uit het andere huwelijk. „Daar gaan ál mijn romans over.”

Wanneer besefte u dat?

„Bij mijn derde roman, The Magician’s Assistant. Ik lunchte met Dorothy Allison, schrijfster van Bastard out of Carolina. Ze worstelde met haar nieuwe boek. Ze zei: ik denk dat ik maar één verhaal te vertellen heb. Ik dacht: oh, god, ik denk dat ik ook maar één verhaal te vertellen heb. En toen dacht ik: ik denk dat iederéén maar één verhaal te vertellen heeft, en dat is eigenlijk prima.”

U heeft nu het autobiografische oerverhaal geschreven. Is dat niet het eind van uw fictie?

„Oh, nee! Ik vroeg me af of ik zou groeien als schrijver als ik dit had gedaan, maar ik werk nu weer aan een roman over dingen waar ik niks vanaf weet. Die moet in 2019 uitkomen.”

En? Bent u gegroeid als schrijver?

„Dat valt te bezien. Misschien dat er, doordat ik dit gedaan heb, een themaverschuiving plaatsvindt in mijn werk. Maar dat weet ik niet zeker.”

Kunt u iets over het nieuwe boek zeggen?

„Het heet The Dutch House. Het gaat over een vrouw die opgroeit in de Verenigde Staten tijdens de Grote Depressie. Ze is heel arm en trouwt met een man die ook heel arm is. Ze krijgen kinderen. En in de jaren veertig worden ze ineens ongelooflijk rijk. Ze verhuizen naar het grootste, duurste huis in de stad, ‘Dutch House’. En die vrouw kan de ongelooflijke pracht en praal daarvan niet verdragen. Uiteindelijk verlaat ze haar gezin en gaat ze naar India.”

En daar komt ze in een groep mensen terecht met wie ze wel móet samenleven…

Ze lacht. „Ja, precies. Ja, het blijft natuurlijk allemaal uit mijn brein komen. Al ben ik wel de baas, ik ben in control. Ik verander voortdurend van mening als ik over een boek nadenk. Dan denk ik: dit personage gaat naar India omdat ze een goeroe volgt, nee, om Moeder Teresa te ontmoeten, nee… Maar het is dan niet het personage dat van mening verandert over wat ze in India wil doen, zoals sommige mensen denken. Nee, ik verander van mening over wat ik met het fictieve personage wil doen.”

In haar boek over creativiteit, ‘Big Magic’, schrijft Elizabeth Gilbert (van ‘Eat, Pray, Love’) dat ideeën een eigen leven hebben. En dat het idee voor ‘State of Wonder’ eerst bij haar had aangeklopt en naar u ging omdat zij er geen tijd voor had.

„Dat is waar! Ik bedoel, ik denk niet dat ik het zou beschrijven zoals zij, dat we het idee uitwisselden met een kus toen we elkaar voor het eerst ontmoetten, maar zoiets is wel echt gebeurd. Ik werkte aan een roman over de Amazone, zij vertelde me dat ze was begonnen aan een Amazoneboek en gestopt om Committed te schrijven. En toen bleek het boek dat zij niet geschreven had precies het boek dat ik aan het schrijven was.”

Patchett heeft nog zo’n soort verhaal. „Na de verkiezingen lag ik wakker van de vraag wat ik kon doen om iets te veranderen. Uiteindelijk bedacht ik: in 2020 is het honderd jaar geleden dat vrouwen in de VS stemrecht kregen. Daar moet een handzaam boekje over komen dat iedereen wil lezen, dat vrouwen aan hun moeders, dochters, zussen en vriendinnen willen geven. Met uitleg over hoe vrouwen stemrecht kregen, over verwarrende dingen als het Kiescollege en kiesrechtgeografie, en een essay over waarom het vooral voor vrouwen zo belangrijk is om te stemmen. En toen dacht ik: ik ben niet de persoon om dat boek te schrijven. Ik ben geen historicus, niet politiek.”

Ze belde een schrijfster die ze bewondert, ze zegt niet wie, en pitchte haar idee. „Ik zei: jij bent dé persoon om dit boek te schrijven, maar als je het niet doet moet je het idee teruggeven. Ze vond het een geweldig idee. En toen gebeurden er twee dingen. Ten eerste kon ik niet meer stoppen eraan te denken, ik wilde het zo graag zelf doen. En ten tweede zeiden vrienden: deze schrijfster is hier ongeschikt voor, mensen vinden haar slim maar niet aardig, ze zullen het boek niet lezen omdat zij het geschreven heeft.

„Een tijdje later ging ik met haar lunchen en toen zei ze dat ze het niet ging doen. Haar agent en redacteur vonden het een slecht idee, wilden het niet uitgeven. Ik was zo blij! Ik zou het idee nooit teruggevraagd hebben, maar nu kreeg ik het terug.” Lachend: „Dat voelde heel Liz Gilbert. Misschien kwam het idee wel bij mij terug omdat het van mij wilde zijn. Wie zal het zeggen?”

U gelooft dat niet echt hè?

„Eh… Nee.”

Ik ook niet. Maar het is een mooie gedachte.

„Het is een prachtige gedachte! Bovendien: de wereld is groot genoeg dat ik één opvatting kan hebben over hoe werk tot stand komt en Liz een andere, en dat betekent niet dat ik gelijk heb en zij niet. Misschien is het voor haar waar en voor mij niet.”

Uw uitgever kondigt ‘Vote’ al aan.

„Ja, ze wilden het idee claimen zodat niemand anders het gaat doen. Een klein feitelijk boekje met een essay erbij, ik zie het al bij de kassa liggen. Om te stemmen moet je bereid zijn jezelf te zien als onderdeeltje van iets groots, een zandkorrel op het strand. Ik denk dat veel mensen dat niet willen. Maar al dat zand samen is een enorm strand. Je moet daar deel van willen uitmaken, dat is je plicht. Je moet moeite doen om het systeem tenminste een beetje te begrijpen.

„En ik wil het er ook over hebben dat stemmen eenvoudiger moet. Waarom kunnen mensen niet op hun telefoon stemmen? We hebben overal apps voor! De Verenigde Staten kennen een lange geschiedenis van leiders die alleen willen dat rijke witte mensen stemmen. Ik denk dat onze regering nog steeds niet wil dat iedereen makkelijk kan stemmen.”

Denkt u dat sinds Trump of ook al onder Obama?

„Ik denk dat al sinds George Washington. Dat Kiescollege-systeem is opgesteld zodat een gek niet kon winnen als het volk een verkeerde keuze maakte. Maar dat is geen democratie. Bovendien hééft er nu een gek gewonnen. Ik wil mensen niet vertellen hoe ze moeten stemmen, maar wel dat ze hun verantwoordelijkheid moeten nemen en dát ze moeten stemmen.”