Cultuur

Interview

Frank Ruiter

‘Alsof de foto van deze arts een foto van mezelf was’

De overleden directeur van een voormalige vruchtbaarheidskliniek in Barendrecht gebruikte hoogstwaarschijnlijk zijn eigen zaad voor bevruchtingen. Zo’n twintig donorkinderen die vermoeden dat hij hun vader is, mogen nu zijn DNA verzamelen. Twee verhalen van zijn mogelijke slachtoffers.

Joey Hoofdman blijkt een andere vader te hebben dan hij en zijn moeder dachten. Zijn broer ook.

Joey Hoofdman is sportinstructeur en manager in een Vodafonewinkel. Hij woont in Den Helder, met zijn partner. Hij komt uit Rotterdam-Zuid, waar hij 30 jaar geleden werd geboren. Zijn vader, of de man van wie werd aangenomen dat hij zijn vader was, was eerder getrouwd geweest en had zich laten steriliseren. Maar die sterilisatie was ongedaan gemaakt en met zijn nieuwe vrouw, de moeder van Joey, kreeg hij drie kinderen. Joey is de tweede. Boven hem zit een broer, onder hem een zusje. Of zoals hij sinds kort weet: een halfbroer en een halfzusje.

„Mijn moeder werd steeds maar niet zwanger”, zegt Joey. „Toen hebben ze haar in het Zuiderziekenhuis doorverwezen naar een fertiliteitskliniek. De dokter daar zei: we gaan het zaad van uw man gebruiken. Zo heeft mijn moeder het me altijd verteld. Het zaadje van je vader is bij het eitje gebracht. Ik dacht: IVF.”

Het was geen harmonieuze jeugd voor Joey. Hij voelde zich zo anders dan de anderen dat hij toen al wel eens dacht: klopt dit? Zijn vader, hij is vijf jaar geleden gestorven, was een stille en teruggetrokken man. Hij werkte als bakker in een fabriek. Zijn broer had moeite met leren en werd glazenwasser. Zijn zusje was een „feestbeest”. Zelf was hij ondernemend – „op mijn veertiende gaf ik mijn eigen lesjes op de sportschool” – en al jong zelfstandig. Op zijn vijftiende ging hij het huis uit.

Toen Joey een relatie kreeg met de man met wie hij nu getrouwd is, begon de twijfel over zijn afkomst sterker te worden. Hij praatte erover met zijn vrienden. Wat als je het kind van een ander bent? Het werd een telkens terugkerende fantasie, maar geen leuke. Hij kreeg er last van. „Ik dacht: het ligt aan mij dat het contact met mijn ouders zo slecht is. Ik moet hulp zoeken.”

Ik dacht: het ligt aan mij dat het contact met mijn ouders zo slecht is

Tegen de psycholoog bij wie hij terechtkwam zei hij dat hij op onderzoek uit wilde zodra zijn moeder overleden zou zijn, te pijnlijk anders. De psycholoog zei: dan kun je niets meer aan haar vragen. En zo kwam het dat Joey op woensdag 23 maart 2017 naar zijn moeder ging om te zeggen dat hij twijfels over zijn afkomst had. „Mama, zei ik, kun je die twijfels bij me wegnemen?” Hij wist niets over Karbaat, niets over de rechtszaak die was aangespannen om hem te dwingen zijn DNA af te staan. Het kwam niet bij hem op dat hij misschien wel een van die donorkinderen was.

Rietjes met de naam

Zijn moeder wist zeker dat het goed zat. „Het was een kleine kliniek, zei ze, overzichtelijk. Volgens haar deed de arts zijn werk heel goed. Ik vroeg of het inderdaad IVF was geweest. Nee, zei ze, kunstmatige inseminatie. Ze had de rietjes gezien met het zaad waarmee ze bevrucht was. De naam van haar man stond erop. Ze was beledigd dat ik niet wist of ik haar kon geloven. Ze vond dat ik mijn vader verloochende. De arts had hem later, toen de zaadproductie weer goed op gang was, gevraagd om ook donor te worden.”

In de auto terug naar Den Helder tikte Joey op zijn iPad een paar woorden in die hij zijn moeder had horen gebruiken. Barendrecht. Boer. Dijk. Arts. Toen kreeg hij de naam van de kliniek op zijn scherm. Bijdorp. Aan de Voordijk. En de naam van de arts, tevens directeur. Jan Karbaat, van boerenafkomst. Hij zag ook de naam van Monique Aarts, een donorkind dat in EenVandaag over haar zoektocht naar haar vader had verteld en de misstanden die ze had ontdekt. En hij zag een foto van Karbaat als jongen. „De foto was vaag, maar ik zag de gelijkenis. Ik schrok me dood.”

De foto was vaag, maar ik zag de gelijkenis. Ik schrok me dood

Hij belde zijn moeder, nog in de auto, en vroeg of ze bij Karbaat was geweest. Ja, ja, zo heette hij. Karbaat. Hij facebookte met Monique Aarts, die hem een andere foto stuurde. „Die was zo scherp dat ik mijn iPad bijna liet vallen. Alsof het een foto van mezelf was.”

Hij was geschokt en opgelucht. Zijn intuïtie had hem niet bedrogen. Geen waanidee. Monique Aarts, die toen nog vermoedde dat ze ook door Karbaat was verwekt, adviseerde hem een commerciële DNA-test te doen waarmee snel kon worden vastgesteld wat de verwantschap tussen hem en zijn broer en zus was. Toen bleek dus dat ze alle drie een andere vader hebben. Alleen zijn zusje is van de man van haar moeder.

Joey weet nu voor 99,9 procent zeker dat hij ook een halfbroer van Moniek Wassenaar is, die in de kliniek van Karbaat verwekt is. Zij is psychiater en ging in 2011 naar Karbaat toe om te vragen hoe het zat. Hij gaf toe dat hij zijn eigen zaad had gebruikt en dat ze waarschijnlijk zijn dochter was. Ze leek op hem, zei hij. Dezelfde handen. Koeienmelkershanden. Joey Hoofdman lijkt weer sprekend op Moniek.

Intussen heeft Fiom, de organisatie die zich bezighoudt met afstammingsvragen, een match gevonden tussen negentien bij hen geregistreerde donorkinderen en een wettige zoon van Karbaat. Die heeft na Karbaats dood, eind april, vrijwillig DNA afgestaan. Moniek en Joey zijn nog niet bij Fiom geregistreerd, maar maandag gaan ze een test doen met een van die negentien. Als er een match is, dan is het nog zekerder dat Karbaat hun vader is.

Hoe reageerde Joey’s moeder?

„Ze voelt zich bedrogen en misleid”, zegt Joey. Joey’s zusje was verdrietig toen ze hoorde dat ze het enige echte kind van haar beide ouders was. Zijn broer is in de war. Hij twijfelde nooit en nu dit. Hij wil weten wie zijn vader dan wel was. Maar de kans dat hij daar ooit achter komt is klein.

De kinderen van Esther Heij kregen alleen nietszeggende informatie over hun donorvader.

Frank Ruiter

Esther Heij (57) is arbeidsongeschikt, heel lang al, maar in haar jonge jaren was ze oefentherapeut. Ze had een praktijk in Ridderkerk. En ze had een man. Helaas: na twee mislukte zwangerschappen liep de relatie stuk. „Ik was 32”, zegt ze. „Ik wilde heel graag kinderen. Dus wat moest ik?”

Een man in het café opduikelen was niets voor haar. Te verlegen. En bang voor aids. „Dat was je toen nog.” Dan liever een advertentie, in NRC. Donor gezocht, eventueel co-ouderschap. „Werd geweigerd.” Ze lacht. „Begin jaren negentig. Kun je je nu niet meer voorstellen.”

En zo werd het de kliniek van dokter Karbaat in Barendrecht. „De beste fertiliteitsarts van Nederland.” Ze moest eerst op gesprek komen. Er werd gekeken of ze het wel aankon, alleenstaand moederschap. Zelf had Esther Heij ook een eis: geen anonieme donor. „Mij werd beloofd dat zijn naam bekend zou worden als mijn kind zestien was.”

Lastig vond Karbaat het wel. Het idee was toen dat mannen iets goeds deden door zaad te doneren. Hun werd beloofd dat niemand ooit te weten zou komen dat ze op deze manier kinderen hadden verwekt.

Negen keer werd Esther Heij door Karbaat behandeld, negen keer gebeurde er niets. Ze verhuisde naar Friesland, in de buurt van Dokkum, en vroeg aan de artsen in het ziekenhuis daar of ze haar verder wilden helpen, met het zaad dat ze van Karbaat had meegekregen, in een koeltank. Twaalf rietjes, duizend gulden, zelf betaald. Maar in Dokkum deden de artsen dat soort dingen niet, het ziekenhuis was protestants-christelijk.

In Drachten wel, nadat de raad van bestuur erover had vergaderd. En toen, eindelijk, raakte Esther Heij zwanger, van Merel-Lotte, nu 23. Twee jaar later kwam Yonathan-David, verwekt met nieuw aangeleverd zaad uit Barendrecht, Esther had er weer duizend gulden voor betaald.

Ze zit op de bank in de woonkamer, in haar huis in Vijlen, bij Vaals. Yonathan zit naast haar. Merel-Lotte zit in de leunstoel tegenover hen, met haar telefoon. Haar interesseert het allemaal niet zo, zegt ze.

Nu ik volwassen ben zoek ik geen vader meer, maar wel: waar kom ik vandaan

„Mij wel”, zegt Yonathan. „Ik heb altijd een vaderfiguur gemist. Nu ik volwassen ben zoek ik geen vader meer, maar wel: waar kom ik vandaan, wat heb ik van hem?”

Blank en slank

Op zijn zestiende – het gezin was net terug van een paar jaar Noorwegen – schreef Yonathan een brief aan de kliniek in Barendrecht. We zijn nu met vakantie, schreef de vrouw van Karbaat terug. Als we terug zijn, stuur ik u uw donorpaspoort. Hij kreeg het na een paar weken. Een A4-tje met wat gegevens over zijn vader. Zogenaamd dan, want later kwamen ze erachter dat andere donorkinderen vergelijkbare paspoorten hadden gekregen, allemaal nogal nietszeggend. En zonder naam.

Nieuw halfzusje

De vader van Yonathan – en van Merel-Lotte, dat weten ze sinds twee weken zeker – zou slank en blank zijn, optimistisch, een kampeer- en natuurliefhebber met een hekel aan oneerlijkheid en een gelukkige jeugd.

Hij probeerde de naam van zijn vader te achterhalen via Fiom, de organisatie die zich met afstammingsvragen bezighoudt, en via het ministerie van Volksgezondheid. Geen antwoord. Dat ze bedonderd zijn, zegt zijn moeder, begon hun pas te dagen toen ze in 2015 een aflevering van het tv-programma Spoorloos zagen. De zoon van een donor uit Barendrecht zocht broers en zusjes. Volgens de donor, die uit de anonimiteit was gestapt, zouden het er wel tweehonderd zijn. Esther Heij: „Barendrecht? Was deze donor misschien ook de vader van mijn kinderen?” Maar dat was niet zo, bleek uit een DNA-test.

Vorig jaar sloten Esther en haar kinderen zich aan bij de groep die de rechtszaak tegen Karbaat heeft aangespannen. Fiom weet sinds 22 mei vrijwel zeker dat negentien van de bij hen geregistreerde donorkinderen van Karbaat zijn. Een wettige zoon van hem heeft na Karbaats plotselinge dood, eind april, zijn DNA afgestaan. Yonathan en Merel-Lotte zitten niet bij die negentien; wel bij een groep van vijftien van wie is vastgesteld dat ze dezelfde vader hebben – waarbij ook Karbaat nog niet uitgesloten is. „Waarschijnlijk iemand uit het Zuiderziekenhuis”, zegt Esther Heij.

Yonathan gaat proberen werknemerslijsten uit die tijd te pakken te krijgen. En Merel-Lotte? Die heeft sinds vorige week intensief contact met een halfzusje. „Zo grappig”, zegt ze. „Zij kan ook slecht tegen mensen die snurken of smakken. We rijden allebei paard. We zijn gek op Grey’s Anatomy.” Het halfzusje is tandartsassistente. En Merel-Lotte is apothekersassistente.