Een kauw met de zenuwen

dieren

Frans van der Helm zag een kauwtje in zijn tuin dat bang voor alles was. Haar angsten bleken een slecht voorteken.

Westerse kauw, Corvus monedula Foto iStock

Er ligt een dode kauw in de tuin. Het is dezelfde vogel waar ik deze winter aanvankelijk glimlachend naar keek. Terwijl andere kauwen vakkundig opgehangen vetbollen ontmantelden, pikte dit nog jonge vrouwtje er alleen maar naar – om geschrokken terug te deinzen als ze terug kwamen zwaaien. Ook handigheid moet je leren, dacht ik nog. Maar zij leerde helemaal niets. En later viel op: ook elke keer als ze naar iets in het gras pikte, deinsde ze meteen weer terug, de poten als gespannen veren, de vleugels al half geopend om helemáál te vluchten.

In het voorjaar verwachtte ze zelfs van een miniem insectje op een tak een geduchte tegenaanval. Een bad willen nemen? Geschrokken terugdeinzen van het bewegende water. Zenuwslopend allemaal, ook voor de toeschouwer.

Een heuse angststoornis. Kauwen zijn altijd levenslustig en unverfroren, dus dit was extra zielig. Ook in de lucht bleef ze altijd maar gevaar zien. Verre roeken als buizerds, een voorbijschietende tortelduif als sperwer. Voor de rest van de kleine kauwenkudde werd ze de cry wolf-vogel: niet op reageren. Zo voelde ze zich, behalve een zenuwpees, mogelijk ook nog eens eenzaam en onbegrepen.

Wat verrassend kreeg ze toch een partner. Eerlijk gezegd: een ook niet zo heel geslaagd mannetje. Het bracht haar geen balsem voor de ziel. Hij leerde haar gedoe maar te negeren. Aanminnig tegen elkaar aanzitten, zoals kauwenpaartjes doen, was er zelden bij. Daar had ze de rust niet voor. En met tedere snavel in de kopveertjes gekroeld worden vond ze ook al angstaanjagend. In de rustige nestholte, een fijne donkere isolatiecel, was dat misschien anders, hoop je dan maar.

En nu, in datzelfde voorjaar, ligt ze daar, zonder een grammetje vet op het borstbeen. Afgepeigerd, door zichzelf en het ook nog eens eieren moeten leggen. Nee, geen lente-idylle, maar misschien toch mooi. Want dit was geen kwaliteit van kauwenleven. En haar denkbeeldige jongen is zo veel bespaard gebleven – als zij een genetisch foutje meetorste. Of had ze gewoon een ernstig getroebleerde jeugd? Wat haar een leventje lang niet lukte, even bij zichzelf stilstaan, heb ik nu maar voor haar gedaan. Me schuldig voelend dat ik eerder om haar moest lachen. Tekortgeschoten in eigen tuin. Maar voor vogels is er geen geestelijke gezondheidszorg.