Dankzij DNA weten we nu ook de huidskleur van een verdachte

Misdaadbestrijding

Forensisch experts kunnen uit DNA al oog- en haarkleur van een verdachte afleiden. De volgende stap is huidskleur. In Rotterdam ontwikkelen genetici er een test voor.

Het lijkt op het maken van een compositietekening, maar dan gebaseerd op DNA. Zoals politietekenaars een schets maken van een verdachte met hulp van een – vaak gebrekkige – beschrijving van een ooggetuige, zo proberen forensisch experts om het uiterlijk van een onbekende dader te reconstrueren uit DNA-sporen. En dan kan er iets uitrollen als: de mogelijke dader is man, komt waarschijnlijk uit Noordwest-Europa, en de kans is heel groot dat hij blauwe ogen en blond haar heeft.

Sinds kort kun je nóg iets zeggen over de verdachte, namelijk wat voor kleur zijn of haar huid waarschijnlijk heeft: donker tot zwart, donker, bleek (het meest aannemelijk in dit voorbeeld), zeer bleek of een tint tussen licht en donker in. Een internationaal team van genetici onder leiding van het Erasmus MC in Rotterdam heeft namelijk onlangs een methode ontwikkeld (Human Genetics, mei) waarmee je op grond van iemands DNA kunt voorspellen wat voor huidskleur hij of zij heeft.

„Het is al enige tijd mogelijk om op grond van iemands DNA te zeggen of de persoon een heel donkere of juist een heel lichte huid heeft.”, zegt onderzoeksleider Manfred Kayser, hoogleraar Forensische Moleculaire Biologie aan het Erasmus MC. „Maar wij wilden ook de tussentinten in kaart brengen, bijvoorbeeld de kleurverschillen tussen Noord-Europeanen en Zuid-Europeanen. Dat is ons gelukt.”

Peter de Knijff, hoogleraar Humane Genetica aan de Universiteit Leiden, vindt „de toevoeging van huidkleur aan ons pakket van uiterlijke kenmerken zeker waardevol.” Hij is tevens hoofd van het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek en niet betrokken bij het onderzoek: „We kunnen straks oog-, haar- en huidskleur van een verdachte inschatten in één analyse.” Die analyse kan volgens hem in combinatie met een inschatting van iemands geografische herkomst belangrijke informatie opleveren, vooral in de eerste fase van het onderzoek naar een misdrijf.

Dan is de groep mogelijke verdachten vaak nog groot en is het handig als je op grond van uiterlijke kenmerken veel verdachten kunt uitsluiten. „Hoe meer informatie, hoe selectiever”, zegt Titia Sijens van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), dat nauw samenwerkt met de groep van Kayser. „De selectie begint met het geslacht, waarmee de helft van de bevolking afvalt, gaat vervolgens verder met oog- en haarkleur en dan kan straks dus huidskleur volgen.”

Vals positief

Het vinden van de erfelijke basis voor huidskleur was een stuk lastiger dan voor oog- en haarkleur waarvoor de genen al een jaar of tien geleden werden gevonden. Dat heeft te maken met de manier waarop genetici zoeken naar die codes, namelijk met zogeheten GWA-studies. In deze studies naar bijvoorbeeld oogkleur analyseer je het genoom van (bij voorkeur veel) mensen met verschillende iriskleuren, en zoekt naar de plekken in het DNA die meer voorkomen bij mensen met blauwe ogen dan bij mensen met bruine ogen. Daarbij is het belangrijk dat de onderzochte personen afgezien van hun – in dit geval – oogkleur verder genetisch zoveel mogelijk op elkaar lijken, doordat ze bijvoorbeeld dezelfde afkomst hebben. Zo verklein je de kans dat je in het genoom verschillen aanwijst die niets te maken hebben met de verschillen die je zoekt – ‘vals positief’ genoemd.

De DNA-test verkleint de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Je neemt van minder mensen wangslijm af

„De grote verschillen in haarkleur en oogkleur zitten in een tamelijk homogene populatie: Europeanen”, zegt Kayser. „De kans op vals positief was daardoor niet zo groot.” Inmiddels kan met meer dan 95 procent zekerheid worden gezegd dat iemand blauwe, groene of bruine ogen heeft, dan wel blond of zwart haar. Tests hiervoor zijn in de forensische opsporing toegestaan sinds 2012 (ogen) en vanaf juli 2017 (haar).

De huidskleur van mensen verschilt sterk tussen de continenten en kent een groot aantal schakeringen. Om die reden zijn GWA-studies aan huidskleur vooral gedaan binnen homogene populaties, zoals onder Europeanen, onder wie een bleke huidskleur dominant is (Liu et al., 2015). Maar in zo’n studie vind je niet alle huidskleur-genen, omdat de kleurvariatie in deze populatie beperkt is. Spaanse onderzoekers hebben juist gekeken naar verschillen tussen bevolkingsgroepen op verschillende continenten (Maroñas et al., 2014).

„Deze multi-etnische studies missen echter weer kleurverschillen binnen etnische groepen”, zegt Kayser. Vandaar dat Kayser en collega’s zijn gaan werken aan een model dat beide soorten huidskleurverschillen kan verklaren.

Van Polen tot Nigeria

Daarvoor verzamelden de onderzoekers het genetisch materiaal van 2.025 personen, dat al eerder was afgenomen. De personen kwamen uit 31 bevolkingsgroepen in Polen, Ierland, Griekenland en de Verenigde Staten. De groep uit de VS had veelal voorouders uit allerlei landen als Nigeria, Japan, Spanje en Argentinië.

Die personen werden ingedeeld in vijf typen huidskleur, van zeer bleek zonder enig vermogen tot bruining tot zeer donker, bijna zwart. Vervolgens werd in hun DNA gekeken naar 77 zogeheten SNP’s (een kleine genetische variatie) in 37 gebieden die vermoedelijk te maken hebben met de huidskleur. Bij die testen vielen nogal wat plekken af, zodat er uiteindelijk 36 SNP’s overbleven, geassocieerd met 16 genen.

Met dit setje SNP’s bleek het mogelijk om in een iets anders samengestelde groep personen de huidskleur met een behoorlijke waarschijnlijkheid te voorspellen. Een zogeheten AUC-score van 0,5 staat gelijk aan gokken, een AUC van 1,0 geeft een altijd juiste voorspelling. Bij de lichte en (zeer) donkere huidtinten scoort het Erasmus-model dichtbij of boven de 0,9, maar bij de tussentinten is de score ‘maar’ 74.

„Zelfs met zo’n betrekkelijk lage AUC-score zijn er individuele gevallen waarbij de huidskleur met een hoge waarschijnlijkheid voorspeld worden. Bovendien hebben we bij donkerbruin en bruin hoge scores”, zegt Kayser. „Een DNA-test kan dus wel degelijk groot praktisch nut hebben bij de opsporing.”

Die test zal de komende tijd gepubliceerd worden op basis van het nieuwe ‘Erasmus-model’. „Daarbij streven we er naar om het voorspellen van de huidskleur te combineren met de haar- en oogkleur”, zegt Kayser. „In de toekomst willen we ook een model ontwikkelen met een grotere nauwkeurigheid voor de verschillende tussentinten.”

Als de gecombineerde DNA-test straks is uitgebreid met de huidskleur, zal die zo’n twintig keer per jaar worden gebruikt is de schatting van De Knijff: „Ook om bijvoorbeeld de biologische ouders van een vondeling op te sporen, zoals met de huidige test ook wel gebeurt.” Kayser ziet ook mogelijkheden om met zo’n test mensen op te sporen die bij een ramp zijn omgekomen.

In de criminaliteitsbestrijding verkleint een DNA-test volgens Kayser inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Als een DNA-monster van een verdachte geen match oplevert in de databank van personen met een crimineel verleden, wordt nu wel eens een grote groep gevraagd om wangslijm. Dat is een grote belasting voor veel (onschuldige) mensen. Als een portret kan worden gereconstrueerd uit DNA is dat minder vaak nodig.

Onderzoekers doen wel hun best om die tekening preciezer en completer te maken, vertelt Sijens van het NFI: „Zo wordt er ook onderzoek gedaan aan bijvoorbeeld krullerigheid van het haar, vroegtijdige kaalheid en sproeten.” Ook daarmee is Kayser met zijn groep aan het Erasmus druk bezig, zodat de onbekende dader steeds meer een gezicht krijgt.