De Franken waren geen barbaren, ze redden juist de Romeinse cultuur

Geschiedenis

Het imago van de Franken als barbaren klopt niet. Ze namen de Romeinse cultuur gretig over, en probeerden die in stand te houden.

Reconstructie van Romeinse zegelring van koning Childerik I (overleden in 481) van de Salische Franken. Foto Bibliothèque nationale de France

In oktober 2015 wees minister-president Mark Rutte de Tweede Kamer op een historische parallel. „We weten het van het Romeinse Rijk: als je de buitengrenzen niet meer bewaakt, is dat het begin van het einde.” Een maand later herhaalde hij dit in The Financial Times, die kopte dat de EU de vluchtelingenstromen moest indammen of het lot van het Romeinse Rijk zou ondergaan.

Hoon was Ruttes deel. In deze krant wees romanschrijver Jan van Aken op het simplisme van de vergelijking. Historici weten al een eeuw dat de antieke werkelijkheid complexer was. De gebeurtenissen waarnaar Rutte verwees, waren een langdurig proces, waarin migranten slechts een bijrol speelden.

Eerst raakte het Romeinse Rijk gesplitst in een westelijke en een oostelijke helft, elk bestuurd door een eigen keizer. Daarna desintegreerde het met financiële moeilijkheden kampende staatsapparaat in de westelijke helft; de oostelijke helft overleefde maar verloor in de zevende eeuw veel land aan de Arabieren. Tegelijkertijd – min of meer tussen 350 en 500 n.Chr. – bouwden de Franken een sterk koninkrijk op, dat in het westen veel culturele, religieuze en bestuurlijke tradities van Rome levend hield.

Bronzen Frankisch gesp met goudbeslag uit Putten (Gld.), ca. 530. Foto Rijksmuseum voor Oudheden

Cruciaal was de vijfde eeuw, een periode waarop archeologen de afgelopen tien, twintig jaar meer zicht hebben gekregen, onder meer door de vrijdag bekend geworden Goudschat van Lienden: waarschijnlijk Romeinse betaling voor Frankische trouw. Het blijkt een tijd te zijn geweest vol ambiguïteiten.

De Franken hebben nauwelijks teksten nagelaten. Toch is er informatie. We kunnen onder meer terecht bij Romeinse auteurs, die vanaf de derde eeuw n.Chr. de Franken vermelden: een federatie van oudere Germaanse stammen uit het noordoosten van Nederland en het noordwesten van Duitsland. Wie afgaat op deze bronnen, krijgt de indruk dat het ging om agressieve vijanden.

Een heel ander verhaal

Maar er is ook een heel ander verhaal, verteld door bodemvondsten. De Nederlandse archeoloog Henk van der Velde heeft er bijvoorbeeld in 2011 op gewezen dat Oost-Nederland in de derde en vierde eeuw almaar welvarender werd dankzij een uitruil van goederen en diensten met de Romeinen ten zuiden van de limes (de in onze contreien langs de Rijn lopende grens van het Romeinse Rijk). Het zou vreemd zijn als de Franken hun klanten aanvielen.

Oorlog moet aan de Beneden-Rijn, anders dan in de landen stroomopwaarts, eerder uitzondering dan regel zijn geweest. Veel representatiever voor de gang van zaken is dat rijke Romeinen hun kuddes ten noorden van de grote rivieren lieten weiden door Frankische herders. Die kwamen ook wel eens naar het zuiden: bij Antwerpen hebben archeologen aardewerk gevonden, gemaakt van Drentse klei.

Niet dat in de derde en vierde eeuw alles pais en vree was. Van tijd tot tijd moesten de Romeinen groepen Franken over de Rijn terugjagen. Soms mocht zo’n groep zich echter vestigen in dunbevolkte gebieden binnen het Rijk, zoals gebeurde in 358, toen Franken toestemming kregen boerderijen te bouwen op de zandgronden van Brabant en Belgisch Limburg. De nieuwe boeren namen een Germaanse taal mee, die zou evolueren tot het Nederlands. In de Romeinse villa’s op de vruchtbare lössgronden bleef men zich daarentegen bedienen van het Latijn, waaruit het Frans is ontstaan. Hierdoor loopt de Belgische taalgrens nog altijd langs de grens tussen löss en zand.

Hoe moet je de nieuwe boeren dan noemen: Germaans of Romeins? Ze spraken van huis uit een Germaans dialect en droegen dito namen, maar ze woonden in het Romeinse Rijk en konden dienen in de Romeinse legers. Een anonieme soldaat vermeldt in een inscriptie dan ook drie identiteiten: ‘Ik ben een Frank, Romeins burger en soldaat onder de wapenen.’

Bronzen Frankische haarspeld in de vorm van bijl (zesde of zevende eeuw, gevonden in Bladel). Foto Rijksmuseum voor Oudheden

De Rijngrens overschreden

Net zo lastig is het te zeggen wie in onze contreien de macht had, zeker nadat in 406 Germaanse stammen ter hoogte van Mainz de Rijngrens overschreden. Zo’n crisis was niet uniek: Rome had steeds de grens hersteld en had invallers altijd geassimileerd. Een garnizoen in pakweg Nijmegen zal zichzelf aanvankelijk zijn blijven beschouwen als Romeins. Pas veel later, toen inzonk dat herstel zou uitblijven, zal men zich hebben geherdefinieerd als Frankische bondgenoten van het Romeinse Rijk.

De laat-Romeinse muntschat die in 2014 in het Limburgse Echt is gevonden, werpt enig licht op de ambigue situatie. De gevonden munten zijn geslagen door de veldheer Constantinus, die zichzelf in de crisisjaren na 406 tot keizer had uitgeroepen. Om zijn leger te vergroten, deed de opstandeling een beroep op plaatselijke garnizoenen en de muntschat lijkt een betaling te zijn geweest. Een standaardpraktijk.

Wat waren dit voor soldaten? Romeinen, wellicht, maar het feit dat ze geld aannemen van een rebel bewijst dat hun loyaliteit aan de keizer in het verre Italië grenzen kende. Toch zouden ze zich nooit zomaar hebben aangeduid als Franken.

De Romeinse overheid kampte ondertussen met serieuze problemen. De steden, waar vanouds de belastingen werden geïnd, waren in verval en dat had gevolgen voor de staatsschatkist. De financiële problemen werden nog verergerd door belastingvrijstellingen voor de allerrijksten. De keizers in Italië zochten allerlei oplossingen. Eén methode was het toelaten van Germanen in het Rijk, waar ze land kregen in ruil voor een rol in de rijksverdediging.

Dat dit werkte, bleek in 451, toen de Hunnen de westelijke helft van het Romeinse Rijk bedreigden. Net als eerder de Franken, waren de Hunnen zowel zwervende herders als honkvaste boeren. Daarnaast waren er kooplieden, want de koningen van de Hunnen hadden altijd goud nodig om hun getrouwen te belonen. Als de aanvoer stokte, konden ze plotseling agressief zijn en zo viel koning Attila, die ooit een Romeinse bondgenoot was geweest, Gallië binnen. Daar beschikte de Romeinse opperbevelhebber Aëtius over loyale troepen met een Germaanse achtergrond, waaronder Romeinse Franken of Frankische Romeinen. Daarmee versloeg hij de Hunnen.

Riembeslag met ingelegd glas uit Frankisch graf in Rijnsburg, ca. 630. Foto Rijksmuseum voor Oudheden

Muntschat bij Lienden

Hoewel het Romeinse leger zich zo wist aan te passen aan de veranderende omstandigheden, duurden de interne problemen in het Romeinse Rijk voort. Toch probeerde keizer Majorianus (r.457-461) zijn greep op het gebied benoorden de Alpen te versterken. In Gallië kon hij rekenen op de steun van generaal Aegidius, die meteen begon met het werven van troepen. Een van de gerekruteerden was de lokale Frankische vorst in de Betuwe wiens muntschat onlangs bij Lienden is teruggevonden. Ofwel: de Romeinen benutten een Frankisch netwerk, dat ze via betalingen tevens versterkten.

Aegidius boekte enkele successen maar keizer Majorianus had minder geluk en werd in 461 afgezet en vermoord. Er waren daarna nog keizers in Italië, maar nu de grensverdediging was uitbesteed en de belastingdienst onvoldoende binnenhaalde, kwam de vraag op waarom er überhaupt een keizer was. In 476 maakte een legerleider in Italië een einde aan het keizerschap in West-Europa, waar niemand nog behoefte aan had. Er was echter nog altijd een andere keizer, die vanuit Constantinopel regeerde over de oostelijke provincies. Voor de Franken – wat we onder die term ook mogen verstaan – was hij nog altijd een belangrijke figuur.

Lees ook het interview met historicus Adrian Goldsworthy: ‘De Romeinen waren bluffers’

Doordat het Romeinse gezag zich steeds meer beperkte tot Italië en de Provence, zijn er weinig Romeinse bronnen over de Lage Landen. De macht moet in de vijfde eeuw in handen zijn gekomen van lokale leiders die je zowel laat-Romeins als Frankisch mag noemen. We lezen over een Chlodio en een Merovech, maar het zijn weinig meer dan namen.

Toch valt er wel iets over te zeggen, dankzij archeologische vondsten. Veranderende boerderijplattegronden, de introductie van rogge en nieuwe soorten aardewerk documenteren migratie naar voordien braakliggende gebieden. Archeologen hebben daar graven aangetroffen met wapens, die suggereren dat de nabestaanden de overledenen hebben willen presenteren als de nieuwe meesters van de herontgonnen landbouwgebieden. Dat kunnen Frankische immigranten zijn geweest, maar ook mensen uit families die al eeuwen in het Romeinse Rijk woonden. De etnische scheidslijn was diffuus.

Dat bewijzen ook Romeinse namen als Germanus en Barbara: althans een deel van de oude Gallo-Romeinse bevolking zag niks verontrustends in de Germaanse nieuwkomers. Dit gevoel was wederzijds, zoals de Zweedse archeologen Svante Fischer en Lennart Lind in 2015 bevestigden. Zij heranalyseerden het graf van de Frankische vorst Childerik in Doornik. Deze heerste over het noorden van Gallië en streed in 463 als bondgenoot aan de zijde van de Romein Aegidius. Rond 481 moet hij zijn overleden en bijgezet in Doornik. Grafgiften illustreren zijn tweeslachtige positie: zijn zegelring noemt hem koning maar zijn mantelspeld is die van een Romeins bestuurder. Hij was én soeverein én dienaar van de keizer.

Loyaal aan Constantinopel

Fischer en Lind keken vooral naar de 300 munten uit het graf, waarmee iets wonderlijks aan de hand is. Ze zijn namelijk allemaal geslagen voor officiële keizers, dat wil zeggen: enerzijds vorsten die regeerden in Constantinopel en anderzijds degenen die Constantinopel had erkend in de westelijke provincies. Opstandelingen als de hierboven genoemde Constantinus ontbreken. Childeriks afstammelingen wilden de overledene dus presenteren als loyaal aan Constantinopel.

Overigens had dit alleen zin als de uitvaartgasten de munten herkenden en dus de opschriften konden lezen. De Frankische elite moet geletterd zijn geweest. Het beeld van ongeletterde barbaren, dat al niet erg gangbaar meer was, kan definitief naar de schroothoop.

Het is bekend wie de uitvaart van Childerik regelde: zijn zoon Chlodovech, bekender onder de naam Clovis. Door aan het begin van zijn regering zijn vader te presenteren als loyale dienaar van de keizer, toonde hij ook zijn eigen taakopvatting. Het verschafte hem de legitimiteit om te heersen over de voormalige Romeinse gewesten benoorden de Alpen.

Hoewel we een onderhoudende bron over Clovis’ regering hebben, De geschiedenis van de Franken van de laat-zesde-eeuwse auteur Gregorius van Tours, is weinig over Clovis’ machtsuitbreiding bekend. In 481 werd hij koning, vijf jaar later annexeerde hij het land tot aan de Loire, weer vijf jaar later onderwierp hij de Thuringers, nog eens vijf jaar later versloeg hij de Alamannen… De chronologie is gekunsteld maar aan het einde van zijn leven regeerde Clovis wél over een gebied van de Rijn tot Toulouse.

Eén verklaring voor zijn succes is dat hij zich aandiende als vertegenwoordiger van het Romeinse gezag, zeker toen de keizer in Constantinopel hem het consulaat verleende: een eeuwenoud ambt zonder bestuurlijke betekenis, maar nog steeds een krachtig symbool. In een tijd waarin de laatste vertegenwoordigers van het keizerlijke gezag steunden op legers vol Germanen, gold Clovis niet als vreemde overheerser. Niemand keek ervan op toen hij, gekleed in purper, een triomftocht hield in Tours.

Op een tweede succesfactor wijst oudhistoricus Jeroen Wijnendaele van de Universiteit Gent, die momenteel werkt aan een boek over Clovis. Hij stelt de vraag wat rond het jaar 500 eigenlijk bedoeld is geweest met het koningschap. Clovis was niet de enige die de laat-Romeinse staat voorzette na de implosie van het oorspronkelijke staatsapparaat. Deze nieuwe vorsten noemden zich weliswaar koning, maar geen koning van de Franken, Ostrogoten, Visigoten of Vandalen. Door niet al te exclusief te zijn, kon Clovis het bestuur overnemen over grote groepen mensen.

Pas toen de nieuwe staten werkelijk stabiel waren, gingen auteurs als Gregorius van Tours ze aanduiden met etnische namen: het gemêleerde rijk van Clovis werd nu het Frankenrijk. De groep die in de vijfde eeuw zo ambigu was geweest, vond dus tegen het einde van de zesde eeuw een eigen, nationale identiteit. Een identiteit overigens die ze, omdat ze zelf weinig geschriften hadden om op terug te vallen, ontleenden aan Romeinse bronnen. Het illustreert hoe graag de Franken Romeins wilden zijn.

Volgens Luit van der Tuuk, de conservator van Museum Dorestad en auteur van De Franken in België en Nederland (2016), markeert het verdwijnen van het Romeinse en het ontstaan van een Frankisch staatsapparaat geen einde. Het was geen toeval dat de spreekwoordelijke lingua Franca niet het Frankisch was, maar het Latijn. Het was evenmin toeval dat Gregorius van Tours een legende opdiste over Clovis’ bekering tot het christendom. De Frankische leiders moesten wel christelijk worden: alleen door zo Romeins mogelijk te zijn, konden ze regeren.

Het einde van de Romeinse bestuurlijke structuren kwam pas in de zevende eeuw. Pas toen begonnen in West-Europa de Middeleeuwen.