Column

Kijken moet, maar Krabbé wil het niet

‘Cast Witnesses’: Sarah van Lamsweerde, Michiel Reynaert en Emma Panza Foto Erik van Zuylen

In End of Watch, thriller van Stephen King, zegt heldin Holly (superintelligent en contactgestoord zoals zulke heldinnen vaak zijn, zie The Killing, zie The Bridge) dat ze haar neiging tot zelfmoord liet voor wat die was omdat ze „wist dat Martin Scorsese nog een stuk of wat films zou maken”, en die wilde ze zien. De cynicus zal dat wegwuiven. Ik niet. Ik ken het genot van de Scorsese-film en het vol-verwachting-gevoel als er weer een aankomt. Dat Scorsese voor Holly reden is om zich niet te verdoen, neem ik zo aan.

Ik ren dan ook naar de tentoonstelling over Scorsese in het Amsterdamse EYE. Vergaap me aan de bokshandschoenen die Robert de Niro droeg in Raging Bull. Geniet van de fragmenten. En geef onwillig toe dat ik teleurgesteld ben. Ik ben geen filmstudent, ik ben een aficionado. Ik wil opgetild worden in de wervelwind van die films, niet deze brave thema’s, met veel papier (storyboard na storyboard) en weinig celluloid. (Jongens, waar is Kurosawa, Scorseses grote voorbeeld?)

Ik lees verder in End of Watch. De seriemoordenaar is opgeborgen in een kliniek. Hij lijkt een kwijlende plant – maar dat is hij niet. En niemand die het ziet. Zo eng!

Want dat je iets niet ziet, betekent niet dat het er niet is. Dus dat Jeroen Krabbé in gesprek met deze krant zei dat Mondriaan een saaie man is, betekent alleen maar dat hij blind is voor de tomeloze geest die opdoemt uit die quasi kalme schilderijen. Mondriaan ging met de schilderkunst op de vuist en die schilderkunst staat er nog van te suizebollen. Hij is wat Orson Welles voor de film was, James Joyce voor de literatuur.

Als je niet weet wat je ziet, laat je het er maar bij zitten– ik ken het. Ik heb het met museumzalen vol gipsen replica van antieke beelden. Ik word al moe als ik om de hoek kijk. Had ik in de gaten gehad dat Cast Witnesses van Sarah van Lamsweerde zich in opslagruimtes voor gipsen torso’s afspeelt, dan had ik opgezien tegen die performance in het Allard Pierson Museum. Nu sloot ik me argeloos aan. En nóóit zal ik dat gips meer afpoeieren.

In een show over vermiste armen, benen, hoofden, verleidt Van Lamsweerde ons met die gipsen herhaalbeelden. Een naakte jongen reconstrueert er één, een arm voor een breuk, een been voor een stomp – ja, zo is het geweest. Het gaat over fantoompijn, over magische gebaren, over kijken tot je zo’n beeld doorhebt. Tot slot staan we rond een tafel, rondom een verminkt beeld. We horen het verhaal van Pelops, gebraden en opgediend voor de Goden, die geen hap van hem eten. We krijgen allemaal een brokje gips. O nee, schuimgebak.

Iedereen eet. We willen weten.