Hoe bescherm je Syrische kunstschatten na zes jaar burgeroorlog?

Syrië

In Syrië zijn de musea leeg. Kunst ligt verstopt onder de grond, is geroofd of kapot gemaakt. Erfgoeddirecteur Maamoun Abdelkarim probeert in Damascus te redden wat er te redden valt.

De archeologische opslag van de provincie Raqqa in Herakla, net na de roof. Foto's Theo de Feyter

Het Nationaal Museum in Damascus is leeg. De vitrines zijn ontruimd, de kleine stukken elders opgeslagen. Alleen de grote mozaïeken en de wandschilderingen, die in de muur zijn ingemetseld, en de monumentale graftombes zijn nog op hun plaats.

Het is een vreemde gewaarwording om door de eens zo druk bezochte, maar nu verlaten zalen te dwalen. In een zijgang liggen geroofde grafbeelden uitgestald op pallets. Ze zijn recentelijk ontdekt in Libanon en gerestitueerd. In de centrale hal staan kisten met de inventaris van het museum van Palmyra. Het museum werd in 2015 op het laatste moment ontruimd, terwijl strijders van Islamitische Staat al in de buitenwijken waren. In haast werden grote beelden onder de vloer van het museum begraven en toegedekt. Onder een regen van kogels vertrok de laatste vrachtwagen richting Homs en Damascus.

„Ik ben geen archeoloog of professor meer, maar crisismanager”, zegt Maamoun Abdelkarim. Hij is sinds 2012 directeur van de Syrische Oudhedendienst, officieel het Directoraat-Generaal van Antiquiteiten en Musea (DGAM) geheten. De dienst zetelt in hetzelfde gebouw als het Nationaal Museum in Damascus. Ook Abdelkarim heeft er zijn kantoor. „De crisis heeft verschrikkelijke gevolgen voor het Syrische erfgoed, maar biedt ook kansen. We hebben de inventarissen van bijna alle musea naar Damascus overgebracht. Hier worden ze geregistreerd volgens een nieuw systeem, opgezet met hulp van Unesco, gefotografeerd en verpakt om te worden opgeslagen.”

Abdelkarim benadrukt dat de medewerkers van DGAM, archeologen en erfgoedwerkers, net als alle Syrische overheidsambtenaren worden doorbetaald, ook als zij in rebellengebied wonen.

„Zij proberen zo veel mogelijk hun werk te doen onder soms zeer moeilijke omstandigheden. In Deir es-Zor dreigde het museum op de frontlijn tussen het Syrische leger en Islamitische Staat terecht te komen. We moesten snel handelen. De hele inventaris is met helikopters over de linies naar veiliger gebied gebracht en is nu hier. Het was misschien wel de eerste erfgoedluchtbrug ter wereld.”

Het Nationaal Museum in Damascus. Foto Theo de Feyter

Kritiek

Syrië is een archeologisch zeer rijk land met een breed scala van vindplaatsen: van de vroegste landbouwnederzettingen uit het Neolithicum tot grote, ommuurde steden uit de Bronstijd. Het land maakte deel uit van machtige rijken, zoals het Nieuw-Assyrische en het Romeins-Byzantijnse Rijk, die ook weer hun sporen hebben achtergelaten. Dit erfgoed staat onder druk. De overwelfde soek van Aleppo die op de Werelderfgoedlijst staat, is grotendeels verwoest door gevechten. De bewuste vernietiging van de grote tempels in Palmyra door IS is een ander bekend voorbeeld. Ook illegale opgravingen en grafroof zijn problemen.

De Syrische Oudhedendienst probeert in samenwerking met de internationale wetenschappelijke gemeenschap deze problemen het hoofd te bieden. De oplossing van de Syrische overheid is om zo veel mogelijk objecten naar Damascus te brengen en ze daar onder haar vleugels te nemen. De oplossing van de internationale gemeenschap is het opzetten van een registratiesysteem om voorwerpen die in de oudhedenhandel opduiken te kunnen traceren.

De samenwerking lokt soms kritiek uit. In december 2016 organiseerden het Syrische Ministerie van Cultuur en DGAM een internationaal congres in Damascus. Doel van het congres was de mogelijkheden te onderzoeken het Syrische erfgoed te beschermen. De buitenlandse deelnemers kregen het verwijt zich te lenen voor propaganda door het regime in een tijd dat de historische binnenstad van Aleppo mede door toedoen van het Syrische leger werd verwoest.

Olivier Nieuwenhuijse, archeoloog aan de Universiteit Leiden, is het oneens met de kritiek. „De Syrische Oudhedendienst is niet een op een te vereenzelvigen met het regime”, zegt hij over de telefoon. „DGAM bestaat uit vakmensen die het bedreigde erfgoed proberen te beschermen. Vóór de opstand werkten buitenlandse wetenschappers al samen met de dienst. Door de oorlog in Syrië en de gevolgen die dat heeft voor onze opgravingen en ons vondstmateriaal zijn we allemaal erfgoedwerkers geworden.”

Nieuwenhuijse zette een project op met als doel de reconstructie van de collecties van het museum in Raqqa. Dat museum is het enige dat in zijn geheel is leeggeroofd. Ook de kluis van het filiaal van de Bank van Syrië, waar de met spijkerschrift beschreven kleitabletten uit de Nederlandse opgraving en andere waardevolle zaken uit het museum waren opgeslagen, werd leeggehaald.

Kom uit de islamitische periode uit Raqqa, nu vermist.
Foto Theo de Feyter
Een kleitablet met spijkerschrift uit de Assyrische periode. Voor het laatst gezien in Raqqa, nu vermist.
Foto Theo de Feyter

De provincie Raqqa is in archeologisch opzicht een van de rijkste provincies van Syrië. Ongeveer dertig teams uit binnen- en buitenland groeven er op. Ook de Universiteit van Leiden werkte er in de opgraving van Tell Sabi Abyad, niet ver van de grens met Turkije. Alle teams brachten hun vondsten na elke campagne naar de provinciale opslag die was gevestigd in een klein dorpje bij de stad Raqqa.

Tot overmaat van ramp werd ook deze opslag, in de chaotische periode na de verovering door de rebellengroepen, overvallen en leeggeroofd. De zakken met materiaal die geen handelswaarde hadden, maar des te meer wetenschappelijke, zoals schervencollecties en monsters voor C14- en residuonderzoek, werden leeggeschud en verstrooid en daarmee waardeloos gemaakt voor verder onderzoek. „We hebben al het mogelijke gedaan de collecties te behouden”, verzucht Ayham al-Fakhri, „maar wat kun je doen als honderd gewapende mannen met vrachtwagens in het dorp verschijnen?”

Het merendeel is verloren

Al-Fakhri was van februari tot november 2013 de laatste directeur van het museum in Raqqa. Ik spreek hem in de tuin van het Nationaal Museum in Damascus. „De gebouwen van de provinciale opslag lagen buiten het dorp waar we ze niet goed konden bewaken. Ik gaf de dorpelingen opdracht een nieuwe opslag te bouwen naast het huis van de wachter, midden in het dorp. We stouwden de kamers vol met alle vondsten en maakten de deuren en ramen dicht. Ook bouwden we nog een extra, blinde muur om het gebouw heen om het als het ware onzichtbaar te maken. Het mocht niet baten.”

Slechts enkele voorwerpen uit de collecties van het museum van Raqqa zijn getraceerd; het merendeel moet als verloren worden beschouwd. Het komende half jaar onderzoekt Nieuwenhuijse met financiële steun van het Prins Claus Fonds en in samenwerking met DGAM, Al-Fakhri en Syrische collega’s die nu in Nederland wonen of een reconstructie van de collecties haalbaar is. „We hopen dat we het museum van Raqqa virtueel weer toegankelijk kunnen maken”, zegt Nieuwenhuijse. „Dat is niet alleen van belang voor Syrië, maar ook voor ons. Het is tenslotte werelderfgoed.”

Theo de Feyter (1947) is archeoloog, beeldend kunstenaar en schreef Syrië, een geschiedenis in ontmoetingen en plaatsen. Deze zomer worden zijn Syrische schilderijen en tekeningen tentoongesteld in Museum Belvédère in Heerenveen in het kader van de expositie ‘On the spot’.