Recensie

God vertrok, de Vrije Markt kwam

Volgens Duits historicus Philipp Blom veroorzaakte de Kleine IJstijd een renaissance vol zeventiende-eeuwse vernieuwingen. De moderne samenleving stond op, met alle gevolgen van dien.

Historicus, auteur, journalist en romancier Philipp Blom schreef met zijn De opstand van de natuur een interessant boek, dat aanleiding biedt tot discussie. Hij beschrijft de reactie van het zeventiende-eeuwse Europa op de Kleine IJstijd, een klimaatverandering die hij situeert tussen de jaren 1570 en 1700. Het jaarlijkse temperatuurgemiddelde daalt twee graden, de winters zijn strenger, de andere seizoenen onstuimiger, met als gevolg misoogsten, hongersnood, oorlog en een algemeen crisisgevoel.

Het feodale Europa, schrijft Blom (Hamburg, 1970), was gewend om God als oorzaak aller dingen te beschouwen, maar men kon niet begrijpen waar men dit aan had verdiend. Misschien was het wereldbeeld aan een hergeboorte toe, een renaissance. Opnieuw aandacht voor voorchristelijke teksten als Lucretius’ De Rerum Natura (‘Over de natuur der dingen’), gewoon scherper (de microscoop werd uitgevonden) kijken naar de dingen an sich en noteren wat men ziet. Of als alchimist naar de ‘steen der wijzen’ zoeken, de kern der dingen.

Het ene nieuwe riep het andere op, en in de slipstream van deze renaissance ontstond een nieuwe kijk op marktwerking, wereldhandel (invoer van koffie thee, tabak en de aardappel), oorlogsvoering (met prins Maurits als exponent), een ‘natuurlijker’ geloof (Spinoza), watermanagement (Leeghwater), rechtswetenschappen (Hugo de Groot), etcetera.

Dit is uiteraard een uiterst grove samenvatting van Bloms boek, waarbij ik bovendien zijn laatste, pamflettistische hoofdstuk ‘Wat op het spel staat’ weglaat. De opstand van de natuur besluit namelijk met een ‘spiegel voor onze eigen tijd’ van klimaatverandering. Wat zijn we eigenlijk opgeschoten nu we dankzij die zeventiende-eeuwse vernieuwingen, zo vraagt Blom zich af, een ‘gedroomde’ God hebben kunnen vervangen door een godgelijke Vrije Markt?

Hij noemt dit laatste de ‘liberale droom’. Resultaat: uitputting van de aarde en een veel grotere klimaatcrisis dan die in de Kleine IJstijd. Blom suggereert dat de mensen tegenwoordig zelfs behoefte hebben aan een ‘autoritaire droom’ – een godgelijke leider – en dat is uiteraard een stap terug. Een waarschuwing is dus op zijn plaats.

Heldere overzichten

De opstand van de natuur is een goed leesbaar boek. Blom formuleert soepel en beeldend, met vaak fraaie anekdotes en invalshoeken. Zijn kritische toon is bijzonder aangenaam, en zijn overzichten van vernieuwers als Spinoza, Athanasius Kircher, Montaigne, de Leidse hortulanus Clusius, Rembrandt, opvoeder Comenius, etcetera zijn helder. De manier waarop hij Bernard Mandeville’s The Fable of The Bees (1705) inzet (een parabel voor de menselijke samenleving: de sterkste en handigste schurken overleven) is slim en leuk.

Vermakelijk ook is de manier waarop Voltaire als erfgenaam van het zeventiende-eeuwse gedachtegoed, zij het met waardering voor diens gedachten en humor, door Blom wordt gefileerd. Sympathiek daarbij zijn de alinea’s die hij wijdt aan de encyclopedist en voetnootgrootmeester Pierre Bayle. En bijzonder innemend tenslotte vind ik zijn meteorologisch/klimatologische invalshoek. Weer en klimaat, wie krijgt daar ooit genoeg van?

Er is weliswaar J. Buismans’ nog steeds niet voltooide Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen die al duizenden pagina’s beslaat, maar de weer- en klimaatbron is nu eenmaal onuitputtelijk. Godlof.

Nu we het er toch over hebben: waardoor werd de Kleine IJstijd eigenlijk veroorzaakt? Blom: ‘Tot op de dag van vandaag bestaat er geen algemeen geaccepteerde verklaring […], maar schaarste aan zonnevlekken valt samen met de koudeperioden op aarde.’ We wachten ongeduldig op nieuwe gegevens hieromtrent.

Helaas blijft in De opstand van de natuur steeds iets knagen. Kleine dingen. Blom maakt gewag van een ontmoeting van Spinoza met Rembrandt, ‘die de grote denker zelfs portretteerde’. Het laatste is onjuist, ook hun ontmoeting is historisch niet bewezen. We lezen over de Beemster, tussen 1607 en 1612, waar 43 molens zeventig vierkante kilometer ‘marsgrond’ drooglegden. Het Beemstermeer was echter een veenmeer, resultaat van veenontginning (om de turf) door mensenhand, en dus geen moeras (‘mars’). In een ecologisch aangeblazen boek lijkt mij dit van belang.

Een groter probleem is Bloms datering van de Kleine IJstijd. Dat het in de door hem beschreven periode tijdens de wintermaanden ook vlakbij de laaiende open haard nog flink rillen was lijdt geen twijfel, maar doorgaans melden de bronnen dat de klimaatdip zich uitstrekte tot 1820, sommige noemen zelfs het jaartal 1860. Zoiets maakt het verband tussen boomende zeventiende-eeuwse vernieuwingen en de kou meteen een stuk minder overtuigend.

Contrasterende kleuren

Blom biedt dus aanleiding tot discussie, zoals gezegd. Van feodale naar moderne samenleving waarin God vervangen wordt door Vrije Markt. Dat mag je met Blom wel een ‘radicale verandering’ noemen, maar hinkt-stapt-springt de auteur hier niet wat al te zeer? Je krijgt er het beeld bij van de historicus die de tijdlijn in stukken knipt en de delen ervan in fel contrasterende kleuren verft. Deze sfeer: ‘De verandering van Europa vond systematisch plaats.’ Wie bij voorbeeld Wim Blockmans’ magistrale Metropolen aan de Noordzee (2010) over de opeenvolgende middeleeuwse en vroegmoderne handelscentra Atrecht, Gent, Brugge, Antwerpen, Amsterdam leest, ziet de geschiedenis veel geleidelijker verlopen. Wat trouwens de ‘feodale samenleving’ betreft: sinds de jaren negentig wordt dit begrip door vele historici als volstrekt onbruikbaar getypeerd.

De opstand van de natuur heet in de oorspronkelijke versie (een betere titel) Die Welt aus den Angeln (‘De wereld uit haar hengsels’). Ook het boek zelf heeft ernstige scharnierproblemen, ondanks het meeslepende slotstuk ‘Wat op het spel staat’.