Een sensuele, ingetogen ‘Salome’

Salome

Dirigent Daniele Gatti en regisseur Ivo van Hove maken samen Salome. „Het wordt fris en energiek.”

De jonge Zweedse sopraan Malin Byström speelt de titelrol van ‘Salome’ Foto Baus

‘Het begin van Salome moet betoverend zijn, ik wil de operabezoekers langzaam meenemen de nacht in van het exotische oosten”, zegt dirigent Daniele Gatti over deze beruchte opera van Richard Strauss. Zeventien jaar geleden dirigeerde Gatti de opera in Bologna. „Er is sindsdien in de muziek en met mij veel gebeurd: toen dirigeerde ik woester, meteen op volle kracht. Nu kies ik voor stilering en sensualiteit.”

Regisseur van Salome is Ivo van Hove: „De muziek is hemels en hels en klinkt nu eens als hardrock, soms zelfs metal. Het is een revolutionaire opera die zich afspeelt op de breuklijn van traditie en avant-garde. Dat spreekt ook uit de muzikale klankkleur. Strauss breekt met de tonaliteit en uit zich in felle dissonanten.”

Betoverend en grimmig, zelfs pervers, huiveringwekkend, scandaleus. Salome is een femme fatale die ultiem wraak neemt op de man die haar afwijst: ze wil zijn afgehouwen hoofd op een zilveren dienschaal. Pas dan kan ze hem bezitten, kust ze zijn lippen die naar bitter bloed smaken. Deze man is de profeet Johannes de Doper die door koning Herodes gevangen wordt gehouden in een ondergrondse kerker. In de opera heet hij Jochanaän. Hij heeft als laatste man op aarde God gezien en voorspeelt de komst van de Verlosser. Religie, seks, dood en geweld samengebald in een „symfonisch gedicht”, zoals Gatti het noemt.

Oscar Wilde

Componist Richard Strauss (1864-1949) ontdekte de dramatische kracht van het verhaal in het toneelstuk Salome van Oscar Wilde, dat hij in 1902 of 1903 in Berlijn zag. Het was de tijd van het fin de siècle, van weelderige decadentie en flirt met overspannen seksualiteit. Geïnspireerd door Wildes toneelstuk schreef Strauss in korte tijd zowel het libretto als de muziek. De première vond plaats op 9 december 1905 in de Semperoper in Dresden.

Chef-dirigent Gatti van het Koninklijk Concertgebouw en regisseur Ivo van Hove van Toneelgroep Amsterdam kwamen al snel tot „een „geserreerde, ingetogen voorstelling”, zoals Van Hove het formuleert.

In de Nationale Opera & Ballet in Amsterdam vindt een pianogenerale plaats: geen orkest, de zangers wel gekostumeerd en in het decor, ontworpen door Jan Versweyveld. Het toneel is leeg, afgeschermd door een zwart achterdoek waarop inderdaad betoverende beelden van de maan verschijnen en verglijden. In het doek is een opening uitgespaard: we kijken naar een stijlvolle salon.

Van Hove: „In die salon vindt een groot diplomatiek overleg plaats tussen koning Herodes van Judea en de Romeinen. Rome van toen, dat is het Amerika van nu. Er wordt beslist over het lot van de wereld. Die avond bezingen de personages op het terras van het paleis de maan. Maar ieder heeft een ander beeld: de een roemt de maan als ‘een zilveren bloem’, de ander als een ‘vrouw die dood is’ en een derde als een ‘kleine prinses met witte voeten als duiven’. Dat zijn subjectieve waarnemingen. Daarom willen we de werkelijke wereld van machthebbers óók tonen: zij laten ons de harde, objectieve werkelijkheid zien, in contrast met de wereld van het gevoel. Ik zie Salome als een coming of age-opera: deze prachtige jonge vrouw leeft in de luxe van het hof. Als een man haar afwijst, dan laat ze hem op ultieme wijze terechtstellen: onthoofding.”

Voor Van Hove is de opera anti-religieus: „Strauss schreef Salome nadat Nietzsche God dood had verklaard. Jochanaän, die een betere toekomst door de komst van Jezus predikt, verkondigt tegelijkertijd de vernietiging van al wie daar niet in gelooft.” Dirigent Gatti, in Italië opgegroeid in een gelovig rooms-katholiek gezin, denkt daar iets genuanceerder over: „In het stuk ruziën de Joden met elkaar over de vraag of Jochanaän God wel of niet heeft gezien. Dat is een boeiend religieus dispuut. Daarom verbaast het me dat de Joden niets ondernemen om de profeet te redden. Ik denk dat ook zij van hem af wilden. Hij veroorzaakt twist.”

De gepassioneerde liefde van Salome (gezongen en gedanst door de jonge Zweedse sopraan Malin Byström) voor Jochanaän ontvlamt wanneer ze zijn stem in de ondergrondse diepte hoort. Gatti: „In de muziek wordt die sonore stem verklankt door een solo op de contrabas. Het orkest speelt felle syncopen, accenten die nét naast de tel vallen. Die onrustige ritmiek zou je de hartslag van Salome kunnen noemen. Zij is een prachtige, sensuele vrouw die ontdekt dat de wereld van machthebbers om haar heen vervuld is van kwaad. Haar stiefvader Herodes verlustigt zich aan haar verschijning en vraagt haar of ze voor hem wil dansen. Dat doet ze, de befaamde erotische dans met de zeven sluiers. Dan beseft ze dat liefde niet verheven is, maar een vunzige kant kent.”

Wraakoefening

Ook voor Van Hove is Salome aanvankelijk een onschuldige, onbevangen jonge vrouw „die zich slechts vaag bewust is van de gewelddadige en perverse wereld om haar heen. Totdat zijzelf geneigd is tot de extreemste wraakoefening omdat een man haar liefde afwijst: hij weigert zelfs naar haar te kijken. Dat grieft haar het diepst. Met het hoofd speelt ze een liefdesspel. Nu bezit ze het onbereikbare. Salome is een product van haar omgeving en haar opvoeding, haar coming of age brengt niet veel hoop. Wat ze niet kan krijgen, vernietigt ze. Het beeld dat Strauss schetst van de samenleving is schrikbarend donker. Uitzichtloos.”

Daniele Gatti vroeg zich af of het Koninklijk Concertgebouworkest Salome eerder speelde. Hij is erachter gekomen: nee. „Wel dirigeerde Willem Mengelberg al in 1908 de beroemde sluierdans van Salome, in een concertante uitvoering. Maar nu pas brengen we de opera voor het eerst integraal, fris en energiek, met een orkest dat uit veel jonge musici bestaat. En laten we zien dat het drama van Salome glashelder is. Of, zoals ze zelf aan het slot zingt: ‘Het geheim van de liefde is groter dan het geheim van de dood.’”