CBS: inflatie gaat óók over huizen en aandelen

Prijsstijgingen

Een opmerkelijk besluit van het Centraal Bureau voor de Statistiek: het geeft voortaan een bredere omschrijving van de inflatie.

Is de inflatie nu echt zo laag, zoals je vaak hoort? Het is maar hoe je het bekijkt. Toegegeven, voedsel wordt nauwelijks duurder, elektronica zelfs goedkoper. Maar de huizenkoper die 20.000 euro moet ‘overbieden’ denkt: de prijs die ík betaal gaat omhoog. En de fabrikant die steeds meer kwijt is aan onderdelen uit het buitenland – de invoerprijzen zijn opgelopen door de lage eurokoers – krabt zich ook achter de oren.

Die huizenkoper en die fabrikant hebben evenveel gelijk als de consument die boodschappen doet, stelt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) donderdag in een opmerkelijke publicatie. Het CBS kondigt aan dat het „de inflatie in Nederland” anders gaat omschrijven. De voorbije jaren stelde het CBS „de inflatie” gelijk aan de consumentenprijzenindex (CPI).

De CPI omvat alles wat wordt geconsumeerd: voedsel, energie, allerlei goederen en ook diensten. Maar de huizenprijzen vallen buiten de CPI, want een huis is strikt genomen een investering, geen consumptie. De prijzen van kapitaal (onder meer aandelen en de rente) zitten ook niet in de index. Productiekosten voor bedrijven, zoals invoer-en grondstoffenprijzen, evenmin.

Dat geeft een vertekend beeld van de inflatie, vindt het CBS. Daarom presenteren de statistici in Den Haag deze donderdag een online ‘prijzen-dashboard’, waarin behalve de CPI óók de prijzen van vastgoed, kapitaal en productie zijn opgenomen. „Let op mensen, inflatie is niet hetzelfde als de consumentenprijzenindex”, zo vat Peter-Hein van Mulligen, hoofd-econoom van het CBS, de boodschap samen.

Juist de voorbije jaren zijn de prijzen van vastgoed, kapitaal en productie uit de pas gaan lopen met de ontwikkeling van de CPI. De huizenprijzen bijvoorbeeld hebben zich „totaal anders ontwikkeld dan de CPI”, schrijft het CBS. In de meest recente maand in het dashboard, maart 2017, stond de CPI 1,1 procent hoger dan een jaar eerder. Maar bestaande koopwoningen waren 7,3 procent duurder. „Veel inflatie”, concludeert het CBS in het prijzendashboard, op basis van een langjarig gemiddelde. Producenten waren 45 procent meer kwijt aan ruwe olie dan een jaar eerder, de invoer van industriële goederen was 5 procent duurder. Ook daar signaleert het CBS „veel inflatie”. Een categorie met „weinig inflatie” is de prijs van het geld, de rente, die ultralaag staat.

Geen algemene index

Hoeveel duurder wordt het leven eigenlijk? Het dashboard van het CBS maakt het antwoord op die vraag niet makkelijker. Eén algemene prijsindex, waarin alle dingen zijn meegenomen, komt er namelijk niet. Economen praten al heel lang over zo’n overkoepelende graadmeter, maar dat blijkt een onmogelijke opgave.

De CPI blijft daarom „waarschijnlijk de belangrijkste indicator”, zegt Van Mulligen. Bij loononderhandelingen bijvoorbeeld zijn de consumentenprijzen leidend. Het CBS wil maatschappelijke discussie over het prijspeil niet „sturen” door een bredere omschrijving van de inflatie te geven, zegt Van Mulligen. Wel wil het „goed laten zien wat er werkelijk gebeurt” met het prijspeil en zo „een bijdrage” leveren aan de discussie.

Intussen blijft de Europese Centrale Bank (ECB) gebruikmaken van de HICP-index, de Europese variant van de CPI. Het doel van de ECB is een HICP-stijging op jaarbasis van vlak onder de 2 procent. In mei bedroeg dit cijfer 1,4 procent. Een blik op het CBS-dashboard leert dat daarmee niet alles is gezegd over de inflatie. Veel inflatie was er de voorbije jaren in de aandelenprijzen en dat is niet toevallig. De honderden miljarden euro’s die de ECB in de financiële markten heeft gepompt, hebben deels hun weg gevonden op de beurs. Het lagerentebeleid van de ECB zorgt bovendien voor inflatie op de huizenmarkt, zegt Van Mulligen. „Met de huidige zeer lage hypotheekrente zijn mensen misschien eerder geneigd om veel geld neer te tellen voor een huis.”