Column

Ramadan gaat over meer dan voedsel

Ramadan mabroek! Gezegende ramadan! Die wens zal, als we de demografische trends mogen geloven, steeds vaker klinken in de grote steden van Nederland en West-Europa. De ramadan, afgelopen weekend begonnen, is een van de vijf belangrijke geboden (zuilen) van de islam die bijna alle volwassenen met een moslimachtergrond respecteren. Het is een vorm van vasten die gedurende een maand diep ingrijpt in het dagelijks leven. Daarmee doet een oud gebod opnieuw zijn intrede in de moderne maatschappij. Het vasten is namelijk onderdeel van bijna alle religies, maar is in het Westen door de secularisering vrijwel onzichtbaar geworden. Vasten, vrijwillige voedselbeperking, kan vele vormen aannemen: geheel niet eten of drinken tot de vasten mag worden doorbroken, zoals gedurende Yom Kippoer en ramadan, of het beperken van bepaalde voedingsmiddelen zoals vlees, in de katholieke vasten tussen het carnaval en Pasen, en tot enkele decennia geleden ook op vrijdagen. Bij mijn weten is alleen in het protestantisme vasten geen onderdeel van de religieuze praktijk. Mogelijk was het gebod op matigheid zo sterk verankerd dat verdere regulering van voedsel onnodig was.

Het alom voorkomen van vasten en voedseltaboes in zoveel culturen duidt op een complexe ontstaansgeschiedenis, deels door de biologische noodzaak om voedseltekorten te managen, maar zeker ook door de sociaal-religieuze versterking van de identiteit die het gevolg is van ieder onderscheidend groepsgedrag. Oorspronkelijk viel het vasten samen met periodes van schaarste, dus in de boerensamenleving voor de oogst, of richtte het zich op ecologisch kostbare eiwitten. Het woord ‘carnaval’ (carne vale, ‘afscheid van het vlees’) verwijst hiernaar. Ook het hindoeïstische verbod op het consumeren van koeien en karbouwen, die trekkracht en melk en ghee (boter) leveren, wijst in die richting.

De woordkeuze rondom vasten is opvallend gelijk: vasten leidt tot fysieke en geestelijke zuiverheid, zelfbeheersing, en afzien van materiële beslommeringen. Dat geldt ook voor het enige vasten dat we nog kennen, een milde vorm van enige dagen afzien van vast voedsel (sapvasten). Dit modieuze vasten is fundamenteel anders dan het religieuze: een zelfgekozen, kortstondig bye bye food met een vleugje mindfulness omwille van een eigen doel („energie, gezondheid en genieten in een luxe omgeving”). De woordkeuze „vasten ontgift en maakt je lichter” is een echo van eerder religieus taalgebruik. Vastenperiodes worden altijd afgesloten met uitbundige feesten, waarmee het effect van matiging eigenlijk verdwijnt, maar wel een bewustwording is ontstaan over voedsel en zelfregulering. Dat biedt aanknopingspunten voor de aanpak van diabetes en obesitas in de moslimgemeenschap. Ook jonge moslims praten vaker over het je niet meer „volproppen”.

Zoals bij elk vasten gaat de ramadan over meer dan voedsel. De manier waarop de Nederlandse samenleving omgaat met ramadan lijkt me een toetssteen voor wederzijdse integratie. Die moet van twee kanten komen: Nederlanders mogen niet alleen aanpassing eisen van mensen met een andere achtergrond, maar ze moeten ook respect leren opbrengen voor een religieuze traditie van nieuwe landgenoten. Dat respect gaat verder dan tolerantie voor het afzien van eten en drinken gedurende dertig dagen en het aanpassen van de arbeidsuren van islamitische collega’s. Het betekent ook niet alleen gezellig meedoen met al die heerlijke gerechten van het Suikerfeest, want daarmee zouden we de ramadan reduceren tot het voedselfestijn dat het niet is. Ramadan gaat over bezinning, een dimensie die in het Westen schaars is geworden. Of zoals de dertiende-eeuwse, Perzische soefidichter Rumi schreef over ramadan: „O, nerveuze drukdoener, het is tijd om je manieren te veranderen”.

Louise O. Fresco is voorzitter van de Raad van Bestuur Wageningen U&R en schrijfster.