Column

Asschers dilemma

‘Wat denk je, komt het er nog van?” vroeg ik mijn vrouw. Ze wist meteen wat ik bedoelde, omdat ze zo langzamerhand intuïtief aanvoelt wanneer ze aangesproken wordt als PvdA-lid. „Moeilijk te zeggen”, ontweek ze. Het type antwoord dat ik na al die futloze formatieweken begin te haten, omdat iedere deelnemer zich in dergelijke nevelen hult. Misschien moeten er in de Nederlandse politiek meer handen worden geschud à la Macron contra Trump. Vasthouden, flink knijpen en loslaten als het jou uitkomt – daar komt het in de politiek toch eigenlijk altijd op neer?

Zouden Klaver en Pechtold goed kunnen knijpen? Het lijken me mensen met zachte handen. Buma oogt als een hardere knijper, op het verbetene af. Roemer? Te weinig kracht. Marijnissen, díé kon een hand eraf knijpen. Rutte? Daar krijg je geen greep op, zijn hand glijdt steeds weg.

Asscher was weer een ander verhaal, die hield zijn handen nu liever zo lang mogelijk op zijn rug. Toch moesten we het juist over hém hebben. Wilde hij werkelijk niet meeregeren of speelde hij „hard to get”, zoals we dat in het nieuwe Nederlands noemen?

Ik vroeg het mijn vrouw omdat zij ruim vijf weken geleden nota bene als eerste partijlid – ere wie ere toekomt, misschien een erelidmaatschap? – in het openbaar, namelijk deze rubriek, de PvdA voorstelde aan een regering VVD-CDA-D66 deel te nemen. Ze nam daarmee een zware verantwoordelijkheid op zich, maar dat deed ze ook al toen ze mij trouwde.

„Dat weet Asscher alleen, met nog enkele getrouwen”, zei ze. „Mijn vermoeden is dat hij écht niet wil. Hij is bang dat hij voor een rechts karretje gespannen wordt.”

„Dat is ook goed mogelijk.”

„Daar is hij zelf bij. Maar als hij scherpe eisen stelt en goede PvdA-ministers naar voren schuift, kan hij wel degelijk een eigen stempel op het nieuwe kabinet drukken.”

„Dat alles onder het niet al te luid uitgesproken motto: de PvdA redt wéér het land.”

„Precies.”

Ik zuchtte en probeerde me even in te leven in de politicus Asscher. Hij viel niet te benijden na de unieke verkiezingsnederlaag die de partij onder zijn leiding had geleden. Meeregeren of oppositie voeren; een duivels dilemma. Maakte hij nu de verkeerde keus, dan zou hij de geschiedenis ingaan als de leider die zijn partij naar de ondergang had gevoerd. Wat te doen? In de oppositie dreigde zijn kleine partij onzichtbaar te worden, in de regering kon ze vermalen worden tussen de grote partijen.

„Elke keus houdt voor de PvdA grote risico’s in”, zei ik.

„Dat geldt voor zoveel keuzes in het leven”, zei ze nuchter. Keek ze mij nu extra kritisch aan of vergiste ik me?

„Misschien is het veiliger om op een centrum-links kabinet te mikken, zoals Roemer wil”, opperde ik.

„Vergeet het”, zei ze, „Roemer wil met het CDA, dat betekent Buma als premier. Zie jij het voor je? Die man is veel te rechts voor de linkse partijen, hij kruipt nog liever tegen Wilders aan dan tegen Klaver. Hij heeft toch ook al zelf gezegd dat hij het niet wil?”

Dat was waar, ik zweeg geïmponeerd. Als het Tjeenk Willink als informateur ook niet lukt, weet ik misschien nog wel een goede opvolger.