Column

Alleen

Ellen

Mijn neefje van elf stond een tijdje terug bij me op de stoep, omdat hij met de dag sipper werd. Inmiddels heeft hij een lieve psycholoog, houdt hij een dagboek bij en lopen mijn zus en ik drie keer per week hard met hem. Gistermiddag puften we in de keuken uit. Mijn neefje zag er goed uit, waarmee ik hem complimenteerde.

„Ja,” antwoordde hij, „Het gaat beter na sporten. Ik kan dan meestal niet meer nadenken.”

„Dus nadenken maakt sip?” vroeg ik.

„Een beetje.” Hij dacht er even over na, wat natuurlijk het risico inhield dat hij weer somber werd. Toen ik op het punt stond hem door elkaar te schudden, zei hij: „Niet zozeer het nadenken maakt me verdrietig, maar dat je maar één stem in je hoofd hebt. Die niemand anders hoort. Dan voel ik me heel erg alleen.”

Mijn zus sloeg een arm om hem heen.

„Ik vind dat juist wel relaxed”, zei ze.

„Dat je alleen bent?” zei mijn neefje, terwijl hij met zijn mouw in zijn ogen wreef.

„Nee, dat je in je eentje in je hoofd zit. Stel je voor dat je iedereen kon horen. Had je helemaal geen privacy.”

„Ja”, zei ik, „allemaal meningen die door elkaar heen worden geschreeuwd, een soort Twitter maar dan met hersens!”

„Amsterdam Centraal tijdens de spits!” riep mijn zus, „eigenlijk is het een groot cadeau dat je alleen je eigen gedachten hoort. Dat zorgt ook voor een hoop lol met jezelf. Als ik naar jou kijk, denk ik soms dat ik tante Tine zie” – mijn neefje trok bleek weg – tante Tine leek op goede dagen op Ron Brandsteder met een overbeet en psoriasis. „Maar dat zeg ik je natuurlijk niet! Beste van twee werelden! Ik verkneukel me en jij hebt nergens last van!”

„Ik dacht dat je me wilde oppeppen”, zei mijn neefje, „ik zeg toch ook niet dat je weleens naar sigaretten stinkt terwijl je niet rookt?”

Mijn zus probeerde haar gezicht glad te houden – ze rookt stiekem als ze bij mij is, haar kinderen wisten tot deze column van niets.

„Is dat niet één van de grote cadeaus van alleen in je hoofd te zitten? De hele buitenwereld komt er niet in! Je kan denken wat je wilt!” Er brak een glimlach door op mijn neefjes’ gezicht.

„Zoals jij nu ook geen idee hebt”, zei hij tegen mijn zus terwijl hij haar doordringend aankeek, „wat ik nu over jou denk!”

En toen zei mijn zus dat het wel weer mooi was geweest en dat we pizza moesten bestellen. De grijns kregen we de rest van de avond niet meer van mijn neefjes eenzame hoofd af.