Column

Sterfelijke pophelden

De Amerikaanse pophelden met wie ik ben opgegroeid, vallen als halmen voor de zeis. Vorig jaar Guy Clark, vorige maand John Geils (J. Geils Band), deze maand Jimmy LaFave en Gregg Allman (The Allman Brothers Band). Eerder dit jaar pleegde Butch Trucks, medeoprichter en drummer bij de Allman Brothers, zelfmoord.

Vooral aan Clark, LaFave en The Allman Brothers Band bewaar ik goede herinneringen: schrijvers en vertolkers van een aantal sterke songs in de vaak gemengde genres van country, folk, rock en blues.

LaFave heeft regelmatig in Nederland opgetreden, hij wijdde in de jaren negentig zelfs een rocknummer aan Amsterdam. In ‘Amsterdam’ bezingt hij hoe hij de taxi naar hotel The Grand neemt en zich verheugt op relaxen (‘kick back’) in Amsterdam, „it’s a piece of paradise below the Zuider Zee”. Three A.M. I’m in a coffee club/ Searching through the haze trying to find true love/ A little Dutch cutie takes me by the hand/ She says I’ll help you kick back in Amsterdam.

De uitgelatenheid van dit nummer was niet kenmerkend voor zijn werk, hij had eerder een hang naar melancholie, soms op het klagerige en pathetische af – mijn enige bezwaar tegen hem.

Jimmy, kankerpatiënt, zong vanuit zijn rolstoel met akelig hoge stem „Goodnight Irene.” Too much, Jimmy.

Naar het afscheid van zijn fans, enkele dagen voor zijn dood, wilde ik dan ook niet te lang kijken. Jimmy, kankerpatiënt, zong vanuit zijn rolstoel met akelig hoge stem „Goodnight Irene.” Too much, Jimmy. Wie hem op zijn best – met nog net slikbare sentimentaliteit – wil horen, raad ik de cd Highway Trance aan.

De muziek van Gregg (en zijn jong gestorven broer Duane) was dynamischer, opwindender. Veel popmuziek van vroeger draai ik niet of nauwelijks meer, maar regelmatig grijp ik nog naar de eerste kant van de live opnamen in Fillmore East. Een nummer als ‘Statesboro Blues’ is pure adrenaline: Wake up, momma, turn your lamp down low (2x), you got no nerve baby, to turn Uncle John from your door/ I woke up this morning/ I had them Statesboro Blues.

Vitale muziek, nota bene gecreëerd door muzikanten die – zoals Gregg Allman – van hun leven soms een door verslaving (drank, drugs) getekende martelgang maakten. Uit een van mijn oude elpees van The Allman Brothers Band viel een knipsel uit een Rolling Stone van 1990. Daarin vertelt gitarist Dickey Betts hoe de bandleden steeds zwaardere drugs begonnen te gebruiken, tot aan cocaïne en heroïne toe. In de jaren zestig en zeventig, legt hij uit, waren de drugs nog bedoeld om je bewustzijn te verruimen, maar „nu zijn de drugs zo verdomd dodelijk geworden, ze zijn er om je bewustzijn te vermoorden, om te ontsnappen.”

Voor veel muzikanten kwam dat besef te laat. Het leidde, zoals bij de Allman Brothers, tot spanningen en breuken in de groep en uiteindelijk tot steeds zwakkere optredens en opnamen. Ik zie het terug in mijn platen- en cd-collectie: bij veel van zulke artiesten hield ik geleidelijk op met het kopen van hun werk.

Misschien moet daar nog eens een boek over geschreven worden: de verwoestende invloed van drank en drugs op muzikanten in de pop- en jazzmuziek. Want waarom juist op hen? Waarom niet – of in ieder geval veel minder – op klassieke musici, operazangers, balletdansers, toneelacteurs, kortom, al die artiesten die ook steeds live voor een publiek moeten optreden?