Zijn zoon heeft ‘geen persoonlijkheid’

Wie: A.K. (43)

Waar: politierechter Utrecht

Kwestie: Vader verdacht van mishandeling zoon

De 43-jarige man geeft wiskundeles op een vmbo. Elke dag, zegt hij tegen de politierechter in Utrecht, ziet hij „honderdvijftig lastige leerlingen”. Dus vertel hem niet dat hij makkelijk de controle verliest. „Ik heb skills om mijn emoties te onderdrukken.” De man moet zich verantwoorden omdat hij zijn zoon, die toen elf was, geslagen zou hebben. Met „de zachte kant” van een riem, zei de jongen tegen de politie.

Een andere keer, bij de start van het offerfeest op 12 september sloeg zijn vader hem op zijn hand. Zijn moeder – de ouders zijn gescheiden – zag een dag later dat de jongen een beurse vinger had en ging met hem naar de huisarts. Daar zei ze erbij dat de vader van de jongen dit had gedaan. De vader neemt haar dat kwalijk, „Waarom belde ze mij niet eerst?”

Hij heeft geen moeite zich in de rechtszaal negatief over zijn zoon uit te laten. Hij schetst het beeld van een slimme, maar lastige jongen, die „profiteert van de slechte communicatie tussen mij en zijn moeder”. „Hij verzint her en der dingen”. Uit tests is volgens de vader gebleken dat zijn zoon „heel laag scoorde op persoonlijkheid.” Hij heeft volgens zijn vader zelfs „geen persoonlijkheid”.

Dat de jongen afwisselend steun zoekt bij zijn vader en moeder blijkt uit een e-mail in het dossier aan zijn vader. Daarin zegt hij dat juist zijn moeder hem zou mishandelen. „Kom mij halen, want ik word door mama geslagen. Ik haat het in dit huis, mijn hoofd doet super veel pijn.” De vader wordt niet alleen het slaan verweten, maar ook dat hij probeerde zijn zoon ervan te weerhouden daarover te vertellen. De jongen heeft zelf het bewijs verzameld, blijkt. Hij nam telefoongesprekken op die hij voerde met zijn vader. Daarin zegt de jongen: „Als jij mij slaat, wie begint er dan met escaleren?” De vader: „Dat was niet de bedoeling. En ik beloof je: dat ga ik niet meer doen.”

Hoe verklaart hij dit soort uitspraken, wil de politierechter weten. De vader: „Hij ontvangt de dingen anders. Ik moest meegaan in zijn verhaal. Ik was bang dat ik anders het contact met hem zou verliezen.” De vader zei in het telefoongesprek ook: „Jouw waarheid zal me naar de gevangenis brengen. […] Ik heb je toch schoenen, geld gegeven. Waarom doe je me dit aan?”

Sinds ongeveer een jaar woont de vader in huis bij een oude vrouw, vertelt hij de rechter. Hij haalt een ansichtkaart met Delfts blauwe tegeltjes tevoorschijn waarop zij haar huurder omschrijft als „zorgzame lieve vader”. „De kindertjes komen bij mij in huis, nooit heb ik hem lelijk zien doen.” De officier is er niet gevoelig voor. Zij acht bewezen dat de vader zijn zoon beide keren heeft geslagen, zowel met de riem als met de hand. „Het is ongeloofwaardig dat de jongen liegt, en ook dat de vader hem naar de mond zou praten.” Ze vindt het „kwalijk” dat de vader dwang gebruikte om te voorkomen dat zijn zoon negatief over hem zou verklaren. „Het kind zat al in een loyaliteitsconflict.” Het feit dat de vader ontkent, maakt volgens haar dat de kans op herhaling groot is. Ze eist een taakstraf van 120 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk. De advocaat van de vader vindt dat er onvoldoende bewijs is voor de mishandelingen. „In het telefoongesprek spreekt mijn cliënt over ‘jouw waarheid’ tegen zijn zoon. Dat is iets anders dan de waarheid.” En: „Hij had pijn aan zijn vinger, dat is niet de meest grove mishandeling denkbaar.” Bewijs dat zijn cliënt dat heeft veroorzaakt is er niet, vindt de advocaat.

De politierechter zegt dat ze „niet de overtuiging heeft gekregen” dat de jongen met de riem is geslagen. Er is geen letsel geconstateerd. Ze is er wel van overtuigd dat de vader de jongen tijdens het Offerfeest op zijn hand heeft geslagen, mede omdat de huisarts letsel heeft geconstateerd. Ze vindt dat de vader in de opgenomen telefoongesprekken erna ook bevestigt dat hij zijn zoon geslagen heeft. „Niet dat u met hem meepraatte.” Uit dat gesprek komt volgens de rechter ook duidelijk naar voren „dat u hem probeert te leiden in wat hij moet verklaren”. Ze legt de wiskundeleraar 80 uur taakstraf op, waarvan 40 uur voorwaardelijk.