Interview

‘Wat er ook gebeurt in de wereld, ik kan overal overleven’

Mavis Hofwijk (77) was zweminstructeur én kok. Met zwemmen is ze, nadat ze een kind had zien verdrinken, gestopt. Koken doet ze nog steeds elke dag. „Wat moet ik dan? Ik ben alleen thuis om te slapen.”

Foto Merlijn Doomernik

Zelden zie je een vrouw met zulke grote handen als Mavis Hofwijk. Ze is 77, maar haar handen zijn groot en breed als van een bouwvakker. Ze zit wijdbeens op een klapstoel, en stampt met haar werkmansschoenen op de vloer. „Maat 43.” Ze lacht vaak en hoog, maar als ze praat is haar stem donker en laag. „Al mijn hele leven word ik meneer genoemd.”

De vader van Mavis Hofwijk was botenmaker en had een houtzagerij in Paramaribo. In het weekend hielp Mavis hem met zagen. Ieder aan één kant zaagden ze met een lintzaag de uitlopers van de boomstammen. „Als we klaar waren pakte hij mijn handen en zei: meisje, je had een jongen moeten zijn.”

Als Mavis Hofwijk (77) terugdenkt aan haar jeugd in Suriname, denkt ze aan de boottochten die ze met haar ouders en neefjes en nichtjes maakte naar de binnenlanden. Mavis’ vader nam hen in de vakanties mee op de boot als hij hout ging halen bij de boscreolen en Indianen. Mavis ruikt nog de geuren van het oerwoud, ze hoort nog het gekrijs van de baboen-aap.

Mavis Hofwijk was het vierde kind van haar moeder en het tweede kind van haar vader. Haar moeder had kinderen van vier mannen, haar vader kreeg zeven kinderen bij vier vrouwen.

Haar vader was officieel nog getrouwd met zijn vorige vrouw toen Mavis geboren werd. Ze kreeg de achternaam van haar moeder, Li-Fo-Sjoe. In haar familie zit bloed van alle bevolkingsgroepen die je maar kunt bedenken. Chinees, joods, Hollands, Afrikaans.

Zieke moeder

Toen Mavis negen jaar was, kreeg haar moeder baarmoederhalskanker. Mavis’ oudere zusters verzorgden hun moeder, tot ze stopte met eten. Al die tijd mocht Mavis haar niet zien – een zieke moeder, dat was niet goed voor kinderen. Haar moeder lag in huis achter een dichte deur. Alleen in de kist mocht Mavis nog even naar haar kijken. „Ze had een gouden tand, ze straalde als Mona Lisa.”

Tien dagen na de dood van hun moeder vertrokken Mavis’ zusters. Ze gingen naar de familie van hun moeder. Ze laadden hun spullen en die van Mavis op de ezelkar die op het erf stond. „Toen zei mijn vader: haal die spullen van Mavis eraf. Zij blijft bij mij, anders ben ik helemaal alleen.”

Er kwam een wasvrouw, maar Mavis maakte het huis schoon, ze deed onderweg uit school de boodschappen en kookte voor haar vader die in de loods aan het werk was. In een kookpot, met kolen onderin. „Het was eigenlijk nog geen koken, in het begin mislukte het vaak, dan deed mijn vader het opnieuw.” Van een van haar zusters, die naar de kookschool was geweest, leerde Mavis echt koken. Pom, pastei, handgemaakt roomijs van kokosmelk. „Het is goed dat het zo gegaan is. Het maakt niet uit wat er in de wereld gebeurt, ik kan overal overleven.” Alles wat ze van haar zuster leerde, maakt ze nu nog voor de klanten van haar cateringbedrijf in Amsterdam. Haar pom is beroemd tot ver buiten de Bijlmer.

Haar vader kreeg nieuwe vrouwen met wie zij het goed kon vinden, maar met wie haar vader het voortdurend aan de stok had. Daarom moest Mavis bij haar tante wonen. „Mijn vader wilde niet dat ik die ruzies meekreeg.” Toen de vrouwen weg waren, ze was een jaar of zestien, kwam Mavis weer terug.

Ze prijst zich gelukkig dat zij een leven lang getrouwd is geweest met één man. Ze was negentien toen ze hem leerde kennen, bij het openbare zwembad van Paramaribo dat toen net geopend was. Ze had voor elkaar gekregen dat ze, hoewel ze alleen maar als een hondje kon zwemmen, van haar vader 40 gulden kreeg voor een opleiding tot zweminstructeur. Zij gaf zwemles en Leslie Hofwijk kwam zwemmen. Op het hek rond het zwembad zaten ze uren te praten. En ze nam hem mee naar huis om bij haar zuster te eten. Voordat ze het zelf in de gaten had, hoorde hij bij de familie.

Centraal Station

Mavis droomde altijd van groter en meer. Zweminstructeur in Paramaribo was niet genoeg, ze wilde leren. In 1961 stapte ze op een cruiseschip naar Le Havre. „Ik zie nog hoe ik met de trein in Amsterdam aankwam, aan de achterkant van het Centraal Station, het viel zo tegen.” Maar ze werd niet ongelukkig in Nederland, ze was niet eenzaam Nooit geweest ook, dat ligt niet in haar aard. Ze werkte in Den Haag in het zwembad waar de grote zwemmers uit die tijd zwommen – Erica Terpstra, Wiger Mensonides. Op het ministerie van Sociale Zaken werd ze dossiervormer. Ze was de enige Surinamer en kwam alleen maar aardige mensen tegen. „Ze lieten me het Surinaamse nieuws lezen dat van de telex rolde, ze nodigden me thuis uit.”

Maar toen Mavis Hofwijk promotie kon maken in Brussel, bedankte ze. Ze had er lucht van gekregen dat haar Leslie misschien niet meer alleen van haar was en ging terug naar Paramaribo. „Ik ben naar Leslie gegaan en vroeg: wat gebeurt hier? Volgens mij hebben we het niet uitgemaakt!”

Toen ze snel daarna werd gevraagd om beheerder te worden van een nieuw zwembad in Moengo, oostelijk van Paramaribo, zei Leslie: „Denk goed na wat je doet, Moengo is geen gemakkelijke stad, de mannen willen daar alle vrouwen hebben.” „Dan trouwen we”, zei Mavis. Het werden de mooiste jaren van haar leven. Eigen baas over het zwembad, de jonge talenten met wie ze alle zwemwedstrijden van Suriname won. Bij het zwembad had ze haar eerste buffet, waar iedereen kwam eten die kwam zwemmen.

Maar het was niet genoeg, ze had grotere ambities voor haar zwembad. In Nederland zou ze kunnen leren hoe ze van Moengo de sportstad van Suriname kon maken. „We hadden daar olympische zwemmers kunnen kweken.”

In 1970 – dit keer ging Leslie ook naar Nederland – werd ze aangesteld als instructeur in het nieuwe overdekte zwembad in Amstelveen. Het duurde niet lang. „Ik werkte met nieuwe, onervaren collega’s. We rouleerden langs de baden, ik liep van het pierenbad naar het grote bad. Ik pakte de stok, ging aan de rand staan en zag daar een jongen op de bodem liggen. Ik heb hem eruit gehaald – doeken! Wrijven! Pompen! Na een paar dagen is hij in het ziekenhuis overleden, hij was al klinisch dood toen ik hem uit het water haalde. Toen heb ik ontslag genomen. Ik heb nooit meer zwemles gegeven.”

Terug naar Suriname ging ze niet. En na de onafhankelijkheid in 1975 al helemaal niet meer. „Suriname was niet rijp voor de onafhankelijkheid.” Ze kijkt er misprijzend bij. Niet dat het haar beste jaren in Nederland waren. Ze werkte inmiddels bij de Gele Gids en toen ze op een dag vanuit haar werk naar huis ging, werd ze aangereden. Ze hield pijn aan haar schouderblad, dat langzaam vergroeide tot een waaier. De arts die na het ongeluk had gezegd dat er niets aan de hand was, zei later dat hij haar nooit gezien had – dan had hij dit nooit over het hoofd gezien. Toen ze na tien jaar eindelijk geopereerd kon worden, door een andere arts, moest ze huilen.

Nooit heeft ze niet gewerkt. Ze werkte bij de Makro, maakte kleedjes „maar die kon ik niet verkopen”. Ze gaf kooklessen in buurthuizen, werkte als kok in een huis voor weggelopen jongeren. „Ik kookte en die jongens praatten. Zij vertelden mij wat ze die hulpverleners hadden moeten vertellen.” Ze kookte steeds meer, eerst vanuit huis, later vanuit de garage waar ze nog steeds zit.

Ook toen ze haar eigen bedrijf had, bleven jongeren bij haar over de vloer komen en voor haar werken. Ze zag om zich heen hoe Surinaamse jongeren in de criminaliteit raakten. „Ik heb altijd gezegd: je moet ze wat leren met als doel ze weer terug te krijgen in Suriname. Het is ze hier te makkelijk gemaakt.”

Pistool

Op een ochtend stonden twee jongens voor de deur van haar garage aan het Bullewijkpad. Misschien wisten ze dat Mavis daar altijd is. Elke dag. Zeven dagen per week. Van zes uur ’s ochtends tot in de avond. Eén jongen zette een pistool op haar slaap, de ander probeerde haar naar binnen te duwen. „WAT?!”, schreeuwde Mavis. „Ik heb geen afspraak met jullie!” Ze was niet bang, ze was kwáád. Met al haar kracht duwde ze zichzelf naar buiten, waar de jongens afdropen. „Ik heb mijn hele leven nooit iets door een ander laten bepalen.”

Twintig jaar heeft Mavis nu haar cateringbedrijf in de Bijlmer. Er waren vette jaren, voor de crisis, en er waren magere jaren. Nog steeds, op haar 77ste, kookt ze elke dag. Op zaterdag een bruiloft voor 300 man. Op zondag met haar handel naar een ambachtelijk markt. Op maandag een grote bedrijfslunch. „We hebben pensioen, maar wat moet ik dan? Ik ben alleen thuis om te slapen. Als ik vroeg thuiskom vraagt Leslie of ik ziek ben.”

Ze is met haar man nog één keer naar Moengo geweest. „Ik dacht: als ik iets voel, ga ik terug. Maar toen we er binnenreden, moesten we zoeken naar het zwembad. Het was helemaal kapot, alles in Suriname is kapotgemaakt. Het zei me niks meer. Helemaal niks.”