Recensie

Eus op zoek naar het seculiere Turkije

Zap

Een reisserie met schrijver Özcan Akyol is een uitstekend idee. Toch voelen sommige aspecten van ‘De Neven van Eus’ wat ongemakkelijk.

Özcan Akyol in ‘De Neven van Eus’ (NTR).

Ibrahim Keksin in het Centraal-Anatolische stadje Ulas, is een schrijver. Dat treft, vindt zijn achterneef Özcan Akyol uit Deventer, want hij is ook een schrijver. Alleen schrijft Ibrahim op een oude draagbare typemachine brieven voor wie dat zelf niet kan en is Özcan auteur van verschillende romans, columnist en een bekende televisiepersoonlijkheid.

De spraakverwarringen en andere misverstanden tussen Akyol en enkele van zijn ongeveer driehonderd neven en nichten in Turkije maken veel duidelijk. Alleen al daarom is de vijfdelige reisserie De Neven van Eus (NTR) een uitstekend idee.

Zo weerlegt Ibrahim op verzoek het in Nederland breed levende misverstand dat alle Turken veelvuldig in de moskee te vinden zouden zijn. Volgens de veteraan van Atatürks republikeinse partij CHP doet hooguit 20 procent dat: „Zelfs die vrouwen met een hoofddoek zijn echt geen voorstander van de sharia, want dan mag een man er wel vier vrouwen op na houden.”

De schrijver van de autobiografische roman Eus bleek onder zijn talrijke verwanten geen enkele aanhanger van president Erdogan te kunnen vinden. Zijn familie behoort tot de alevitische minderheid, een verlichte variant van de islam, die weinig op heeft met de orthodoxie van de sunnitische meerderheid. Een andere neef, in het bergdorp van Eus’ vader, weet zeker dat de straten in alevitische dorpen het laatst in aanmerking komen om geasfalteerd te worden.

Een belangrijke conclusie van de hoofdpersoon is zijn vreugde over het feit dat hij in Nederland is geboren en opgegroeid. Als zijn ouders niet geëmigreerd waren, dan was hij misschien nu ook wel een herder met vier kippen, waarvan er maar een eieren legt. De zomervakanties in Ulas bezorgden de vierjarige destijds ook al een klein trauma. Zes weken verveling werden slechts verlicht door het lammetje dat hij cadeau kreeg en waarop hij zelfs mocht rijden. Maar tegen het einde van de vakantie werd het beest voor zijn ogen geslacht, als feestmaal voor de besnijdenis van de Turks-Nederlandse jongetjes. Tien jaar lang at Eus uit protest geen vlees.

Ondanks de ontroerende beelden van een emigrantenkind dat het graf van zijn overleden broertje bezoekt (en daar een grafsteen voor koopt) en andere ontdekkingen over de heimat, wringt er ook iets bij de warme ontvangst van de verloren zoon. De meeste neven en ooms en tantes informeren naar het welzijn van zijn ouders, maar Eus mompelt dat hij het van zijn vader niet zo precies weet. In zijn geschriften heeft hij Nederland kond gedaan van de weerzin tegen zijn vader, diens hang naar raki en wrede onverschilligheid. Het grote verzoenen met een onbekende familie voelt in dat licht wat ongemakkelijk. Het lijkt wel een constructie om deze serie, hoe nuttig dan ook, te kunnen maken.

Er is nog een ander probleempje. Eus rijdt vanuit de provinciehoofdstad Sivas rond in een gele taxi, met een camerapersoon op de achterbank. Het lijkt er sterk op dat een ander deel van de crew op enige afstand volgt en filmt uit een tweede auto. Waarom dan die taxi? Is dat misschien een manier om het wat spannender en pittoresker te maken?

De onzichtbare wand in de documentaire, die voorschrijft dat wij als kijkers vooral niet mogen zien hoe de opnamen tot stand zijn gekomen, is een tamelijk ouderwets onding. Zeker bij een serie die gevoelige onderwerpen bij de horens pakt, wil je weten waar je precies naar kijkt, welke keuzes er zijn gemaakt, en hoe representatief die zijn. Toneelstukjes met taxichauffeurs passen daar slecht in. We mogen niet eens weten wie de regisseur was, de eindcredits vermelden die niet.