Onderzoek Waterfront: Rotterdam had vastgoedorganisatie nooit op orde

Bij de bouw van het Waterfront – een pand voor muzikale evenementen en feesten – had de gemeente de organisatie nooit op orde. Dat blijkt vandaag uit een onderzoek.

De vastgoedorganisatie van de gemeente Rotterdam is nooit op orde geweest. Dat is de belangrijkste conclusie van de enquêtecommissie van de Rotterdamse gemeenteraad naar de zogenoemde Waterfrontfraude.

Die zaak heeft de gemeente zo’n 8 miljoen euro gekost. De commissie publiceerde vandaag haar rapport.

Begin 2014 kreeg de raad nog in een rapport van de toen verantwoordelijke wethouder Hamit Karakus (PvdA) te horen dat het goed ging bij vastgoed. „Dat was ten onrechte”, concludeert de enquêtecommissie nu. Ze stelt ook een grote afstand vast tussen medewerkers en management, en weinig aandacht van het stadsbestuur voor de afdeling vastgoed vanaf 2014. „De wethouder vastgoed [Ronald Schneider van Leefbaar Rotterdam] had in de periode mei 2014-begin 2016 geen specifiek inzicht in de bedrijfsvoering van de vastgoedorganisatie.”

Waterfront is een gemeentelijk pand aan de Maas, waar feesten en andere evenementen werden gehouden. De uitbater, Göksel Kan, betaalde lange tijd geen huur. Wel liet hij de gemeente voor miljoenen aan valse facturen voor reparaties door het aannemersbedrijf van zijn vader betalen.

Boze opzet

Dat Kan die miljoenen kon innen, is in de eerste plaats gewoon boze opzet van individuen geweest, zegt de commissie. Tegen Kan is aangifte van fraude gedaan, en naar ambtenaren loopt strafrechtelijk onderzoek. Maar, vervolgt de commissie, de fraude had nooit jaren kunnen doorlopen als de organisatie bij de gemeente op orde was geweest. Het bedrog had bijvoorbeeld aan het licht kunnen komen toen een vernietigend kredietrapport over de huurder opdook en bij het afblazen van een incassoprocedure voor niet betaalde huur.

De gemeenteraad bespreekt het rapport nog voor het zomerreces. Vragen die daarbij aan de orde komen zijn hoe de vastgoedorganisatie op orde kan worden gebracht, en of de raad die taak toevertrouwt aan zittend wethouder Schneider.

Tegenover de enquêtecommissie zei Schneider desgevraagd dat hij geen enkel signaal had gekregen van problemen met de bedrijfsvoering die opgelost moesten worden. Toen de commissie hem vroeg hoe hij nu omgaat met lopende verbetertrajecten, moest hij toegeven dat hij dat niet agendeerde in het relevante overleg met zijn ambtenaren.

Het debat tussen raad en college over de bevindingen van de enquêtecommissie is gepland op 29 juni. Het stadsbestuur zal voor die datum met een eigen reactie komen.