Naamgever van Rotterdams museum was ‘wél collaborateur’

Boijmans Van Beuningen Relativerende uitspraken van Boijmans-baas Sjarel Ex over kunstverkoop aan de Duitsers door D. G. van Beuningen zijn onterecht, zegt onderzoeker.

De verkoop van tekeningen en schilderijen aan de Duitsers door D.G. van Beuningen in december 1940 en in 1941 kan worden beschouwd als strafbare economische collaboratie. Dat zegt jurist Joggli Meihuizen, gepromoveerd op economische collaboratie en de naoorlogse bestraffing daarvan.

Meihuizen reageert op uitspraken van Sjarel Ex, directeur van Museum Boijmans van Beuningen, zaterdag in NRC. Ex gaf commentaar op een artikel waarin werd beschreven hoe de Rotterdamse havenbaron onder de bezetting heimelijk voor miljoenen guldens aan kunst verkocht, bestemd voor het Führermuseum van Adolf Hitler. Na de oorlog ontkwam Van Beuningen aan strafvervolging omdat het Geallieerd Opperbevel de processen tegen enkele honderden werkgevers afblies.

Havenbaron D.G. van Beuningen

 

Ex relativeerde de verkopen van de man naar wie het Rotterdamse museum in 1958 mede is vernoemd. Hij kwalificeerde de verkopen als „economische delicten”. Volgens Ex speelden en spelen bij de beoordeling van collaboratie diverse bezwarende criteria een rol, zoals lidmaatschap van de NSB en politieke steun aan de Duitsers. Daar heeft Van Beuningen zich altijd verre van gehouden, aldus Ex.

De museumdirecteur vergist zich, zegt Meihuizen. De door Ex genoemde criteria speelden geen rol in de delictsomschrijving, maar waren wél van belang voor de straftoemeting. Meihuizen: „Opmerkelijk genoeg noemt Ex niet winstbejag, terwijl dat in gevallen van economische collaboratie de meest voorkomende strafverzwarende omstandigheid was. Ook in de zaak Van Beuningen is er, als ik het goed begrijp, sprake van winstbejag.”

De jurist wijst op diverse uitspraken van het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam en in Den Haag, waaruit blijkt dat alleen de verkoop van kunst aan de bezetter al genoeg reden was voor een veroordeling.

Zo werd kunsthandelaar Jan Dik jr. voor de verkoop van schilderijen aan Göring in 1949 veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. Meihuizen: „De rechter overwoog dat het begrip hulpverlenen aan de vijand in art.102 Wetboek van Strafrecht zeer ruim is omschreven.” En deze ruime omschrijving werd nog eens onderstreept door art. 22 Besluit Buitengewoon Strafrecht. ‘Het aan de vijand ter beschikking stellen van enig geld of goed’ is ook een vorm van ‘de vijand hulp verlenen’.

Bij zijn strafoplegging aan Dik verklaarde de rechter dat hij „toen zijn landgenoten door toedoen van de vijand in ellende waren gedompeld, aan verschillende Duitse personen en instellingen, waaronder een museum van de Duitser Hermann Göring, een groot aantal schilderijen heeft verkocht en daardoor heeft medegewerkt aan het leegplunderen van Nederland door de Duitse bezetter”.

Vaak hebben economische collaborateurs zich indertijd proberen te verdedigen met het argument dat zij niet sympathiseerden met de Duitsers. Meihuizen: „Tegen die houding moest volgens het Amsterdamse Bijzonder Gerechtshof nadrukkelijk stelling worden genomen. Men kon, volgens een uitspraak uit 1946, ‘niet een voortreffelijk vaderlander zijn en blijven, en tevens aan de vijand geld verdienen door zaken met hem te doen die voor zijn oorlogsvoering dienstig zijn’”.

Sjarel Ex was niet bereikbaar voor commentaar.