Column

Morele afwegingen over ‘goed’ en ‘fout’

Hoe moet je eigenlijk een goed mens zijn? Die vraag hoor je nogal eens, in columns en essays, op steeds verschillende manieren verpakt.

Zaterdag zag ik een programma van stand-upfilosofe Laura van Dolron. Stand-upfilosofie is een genre dat geloof ik uitsluitend door haar beoefend wordt en het is, blijkt dan, een veelbelovend genre. Het ging over deze vraag, dat wil zeggen het ging over wie ‘wij’ nu eigenlijk zijn. En dat er dan ook een ‘zij’ is. En wie dat dan zijn. En dat we met die ‘zij’ iets moeten, maar wat dan. En dat ‘wij’ – en dan zijn wij toch vooral de goed opgeleide, blanke, tamelijk welvarende klasse – ons schuldig voelen soms, over onszelf en onze welvaart, maar onszelf dat eigenlijk ook wel weer vergeven.

Ja. Zo is het. Deze ‘wij’ zeggen dat de Middellandse Zee „één groot graf” is geworden, maar we gaan er wel naartoe van de zomer om erin te zwemmen. Ga ik ook doen. Griekenland nog wel, maar dan niet naar Lesbos, wat natuurlijk laf en ontwijkend is maar anderzijds: wat verbetert er als je dan wél naar Lesbos gaat?

We weten dat we boffen dat we hier wonen, we weten dat we het goed hebben. Maar of we ook nog goed zijn, dat is een heel stuk minder zeker. Zeker als je machteloos zit te kijken naar de allergrootste problemen die je kunt bedenken, zoals oorlog, geweld, vernietiging.

Deze ‘wij’ is van goede wil, van zo veel goede wil dat er vrijwilligers te veel zijn die iets met vluchtelingen willen doen. Degenen die dat dan doen kunnen zichzelf tenminste weer recht aan kijken in de spiegel. Je ziet zelfs wel eens dat ze liever niet hebben dat iemand anders óók contact heeft met vluchtelingen, dat ze doen of de vluchtelingen die ze helpen van hen zijn, en argwanend reageren als iemand anders met ‘hun’ vluchtelingen praat: „Wie bent u?”

Zó graag goed willen zijn dat we een ander niet gunnen ook iets te doen of te betekenen.

In Coen Verbraaks sterke documentaire Wij willen leven, over de Molukse gijzelacties in 1977, die vorige week werd uitgezonden, kwam hoofdonderwijzer Eef van der Vliet aan het woord, die destijds op de school in Smilde werkte waar 105 kinderen gegijzeld werden. De kinderen werden na vier dagen vrijgelaten en daarna was er een moment geweest waarop de achtergebleven leerkrachten hadden kunnen ontsnappen. Ze overlegden. En ze deden het niet. Want wat zouden de gevolgen daarvan zijn voor de mensen die werden vastgehouden in de gekaapte trein? Zouden de kapers geen wraak nemen op hen?

Het was een staaltje hoger moreel bewustzijn, dat zonder enige opsmuk werd verteld. Zouden ‘wij’, vraag je je dan af, ook zo’n morele afweging maken?

Ik weet het niet. Ik mag het hopen.

Hoop ik … eh: hopen wij soms stiekem, heel diep weggestopt, ergens in een klein hoekje van ons hoofd, dat we ooit eens zullen kunnen bewijzen dat we ook zo zijn? Zo goed?

Waarom zijn die ‘wij’ toch de hele tijd zo gepreoccupeerd met morele beslommeringen, met goed en fout en dat wij „aan de goede kant van de geschiedenis” willen staan. De ‘zij’ over wie we lelijk doen, de laagopgeleide xenofoben, zijn daar helemaal niet zo mee bezig. Maar ondanks hun harde geschreeuw van tevoren, zijn de meeste van die mensen allerhartelijkst als er een vluchtelingengezin in de wijk komt wonen, zoals Jutta Chorus laatst nog weer schreef. Gewoon hartelijk. Niet ‘goed’.