‘Ik beken: de dvd’s puilen uit mijn keukenkastjes’

Bekentenis

Filmrecensent André Waardenburg verzamelt sinds zijn kindertijd. Zijn verzameldrift heeft een prijs; de dvd’s, cd’s en platen overwoekeren zijn huis.

De woning van filmrecensent en verzamelaar André Waardenburg Foto’s Lars van den Brink

Ik ben verslaafd. Niet aan drugs of andere genotsmiddelen. Aan verzamelen. Ik verzamel dvd’s, cd’s en platen. Niet alles, dat zou ondoenlijk zijn. Ik selecteer op interessegebied, maar dat zijn er nogal veel. Afgelopen zaterdag kwam ik thuis met meer dan dertig platen: klassieke muziek maar ook een Broadway-castalbum, een soundtrack, een operette en een LP waarop The Mormon Tabernacle Choir liederen zingt uit de Amerikaanse Burgeroorlog.

Die verzameldrift heeft een prijs. Uit schaamte voor al die stapels in mijn huis, zelfs op het keukenblad en in de keukenkastjes, laat ik niemand binnen, zelfs mijn ouders niet. Als zij op visite willen komen, spreken we af bij mijn vriendin. Een kennis schatte in dat ik hoog zal scoren op het autistisch spectrum, mijn vriendin wil pas met mij samenwonen als ik op zijn minst mijn videobanden wegdoe.

Ja echt, ik heb nog videobanden. Het moeten er tegen de duizend zijn, de meeste ooit zelf met veel liefde opgenomen. Relikwieën uit de tijd dat de publieke omroep, de BBC en de Belgische zenders nog klassieke films uitzonden. Waarom doe je die dan niet weg? Die kan je toch vervangen door dvd’s, hoor ik dan. Soms wel, vaak niet; bovendien nam ik talloze vergeten filmprogramma’s op, zoals de onder cinefielen zeer gewaardeerde inleidingen van Alex Cox en Mark Cousins op (cult)films. En daar zijn herinneringen aan verbonden: nachten van laat opblijven om mij toen nog onbekende meesterwerken te tapen. Die banden dan nu bij het grof vuil zetten voelt als een deel van mijzelf uitwissen.

Doorbuigende planken

Het verzamelen begon bij mij al op jonge leeftijd. Na lang sparen kocht ik op mijn twaalfde mijn eerste twee platen. Een paar jaar later begon het cd-tijdperk, en in tegenstelling tot velen heb ik de glimmende schijfjes nooit weggedaan. Hipsters lachen mij uit: die luisteren gratis naar Spotify en kijken online. Ik niet. Verzamelen heeft voor mij een tactiele dimensie: bladeren in cd-boekjes, het vasthouden van koel vinyl.

Eind jaren negentig stapte ik over op dvd’s en liet ik mijn eerste dvd-speler prepareren zodat deze alle regio’s kon afspelen. Naar schatting ongeveer 2.500 dvd’s - ik heb ze nooit geteld - liggen in ladekasten of onder mijn bed, in brede bakken. Geen hele handige plek, want notoir stoffig. Maar toenemend ruimtegebrek maakt dit noodzakelijk.

Zelf laveer ik zelfs in het donker feilloos tussen mijn dvd- en boekenformaties, maar dat ruimtegebrek blijft de hoofdvijand van de verzamelaar. Een bevriende soundtrackverzamelaar verzuchtte onlangs dat hij niet meer wist waar zijn nieuwe aankopen op te bergen. Er past niets meer bij: zijn huis staat boordevol kasten met vervaarlijk doorbuigende planken.

Maar noem ons geen hoarders! Net als andere verslaafden, herkennen verzamelaars elkaar direct. Ons richtingsgevoel is gebaseerd op de locatie van platen- en dvd-winkels, al zijn die inmiddels vrijwel allemaal verdwenen. Vaak zie je ons rondlopen met een notitieboekje vol moeilijk leesbare krabbels, een fanatieke blik in de ogen. In opperste concentratie doorzoeken we bakken en dozen, op zoek naar die ene ontbrekende film of plaat. Onze vondsten leggen we voorzichtig op een stapeltje, alsof het een goudklompje betreft.

Gouden verzameltijdperk

Het zou een gouden tijd voor ons verzamelaars moeten zijn. Omdat iedereen (ten onrechte) denkt dat alles digitaal te krijgen is, verhandelt men zijn bezit voor een habbekrats. Toen ik eind jaren negentig begon met dvd’s kopen, kostten ze nog tussen de 40 en 90 gulden – dat laatste betrof import-dvd’s. Nu hoef je zelden meer dan 10 euro neer te tellen, zeker als je even wacht. Of nog minder: echte verzamelaars tref je in kringloopwinkels, kelders van platenwinkels en op de vrijmarkt. Daar stuit je op items waarvan de eigenaar de waarde in het geheel niet kan inschatten.

Die algehele onverschilligheid drukt mij tegelijk wel met de neus op de feiten: mijn verzameling vertegenwoordigt steeds minder waarde, en dat bedoel ik niet alleen financieel. Als alles toch digitaal is te lezen, te beluisteren en te zien, wordt mijn verzameldrift dan niet een beetje ridicuul? Mijn huis raakt wel heel erg vol. Waarom is het toch nooit genoeg?

Zelf vermoed ik dat de verzamelwoede voortkomt uit angst voor de zinloosheid van het bestaan. Met elke aankoop ontken je de dood en vul je de existentiële leegte. Al verschaft een uitbreiding van de verzameling slechts kortstondig plezier, want daarna moet ik weer de straat op voor een nieuwe ‘fix’. Uit Amerikaanse films over verslaving weet ik dat de eerste stap is om publiekelijk toe te geven wat je mankeert. Daarom: ik ben André. Ik ben verslaafd.