Een duif is geen zwaan

We liepen met twee van onze kleinkinderen over de Plantage Middenlaan in Amsterdam. In het Wertheimplantsoen hadden we het Auschwitzmonument van Jan Wolkers laten zien. We gaven er korte uitleg bij, waar ze aandachtig naar luisterden. Fay wilde nog over de gebroken spiegels drentelen, maar dat leek ons niet zo’n goed idee, ook al zou het van de ruimdenkende Wolkers misschien wel even hebben gemogen.

We waren op weg naar de tram toen Fay en Glenn tegen de gevel van een hotel een jong, ineengedoken vogeltje ontdekten. Ontdaan sloegen ze meteen alarm. Het was een duifje, vermoedden we. Het ging niet goed met hem. Hij bewoog wel, vooral zijn snaveltje, maar maakte geen geluid en aan de zijkant van zijn kopje zat een bloedvlek.

De kinderen tilden hem op, aaiden hem en zetten hem weer op de grond. Wat te doen? Doorlopen was geen optie, want je bent als grootouder vooral op de wereld om het nobele voorbeeld te zijn voor de jongste generatie. Dat betekent dat je in het gezelschap van je kleinkinderen zo min mogelijk vloekt en ruziet en zoveel mogelijk de mensheid en de dierenwereld in bescherming neemt. Geen geringe taak, vooral als je op een zinderend hete middag langs een drukke weg naast een vermoedelijk stervend vogeltje staat.

De receptioniste van het hotel kwam er hoofdschuddend bij. We zochten met onze ogen de daklijst af, maar zagen geen nest waaruit het diertje gevallen kon zijn. Er trippelden genoeg duiven om ons heen, maar geen enkele toonde enige ouderlijke bezorgdheid. Met hun gekoer leken ze vooral te willen zeggen: „Bekijk het maar, het is júllie probleem.”

We belden de Dierenambulance. Waren die laatst ook niet naar onze buurt gekomen om een gewonde zwaan op te halen?

Ik heb een verontrustende mededeling voor de duif: hij is geen zwaan. Een man van de Dierenambulance legde vriendelijk uit dat ze voor zo’n duifje niet konden uitrukken. Het was een harde mededeling, maar we konden er begrip voor opbrengen, want nog onlangs hadden we in de krant gelezen dat de Dierenambulance een noodlijdende organisatie is.

De receptioniste van het hotel haalde een rond bakje voor de duif en raadde ons aan om het bij Artis, vlak om de hoek, te proberen. Daar hadden ze al zo veel dieren, een duifje kon er nog wel bij. Ik vroeg me af of men bij Artis gevoelig zou zijn voor dit argument, maar Fay en Glenn waren het in ieder geval wél – genoeg reden dus om een poging te wagen.

Toen ik het bakje bij de kassa van Artis liet zien, rees een man achter de caissière op die met klem meedeelde dat Artis nóóit zulke dieren aannam. Hoe smekend wij hem ook aankeken, hij bleef onvermurwbaar. Ik had graag zijn oordeel, of dat van een van de vele dierenoppassers, over de fysieke toestand van de duif gehad, maar Artis hield afstand.

Dan maar meenemen naar huis? Dat was de kat op het duifje binden. Weer gebeld met de Dierenambulance. Die noemde nog één alternatief: een vogelopvangorganisatie in Zuidoost, maar die bleek al gesloten. Zet hem in het plantsoen, raadde de Dierenambulance aan, het diertje krijgt te veel stress van al dat gesjouw.

Dat hebben we toen maar gedaan, in de schaduw van enkele struiken. Het was te laat voor Hemelvaart, maar misschien was er boven toch wél een plekje voor hem.