Het begrotingsoverschot staat onder druk

Voorjaarsnota Tegenvallers bij Onderwijs en minder gasbaten drukken fors op het voorspelde begrotingsoverschot.

De financiële ruimte voor een nieuw kabinet zou minder groot zijn dan gedacht. Foto Jerry Lampen / ANP

Een gat van „enkele honderden miljoenen” op de begroting van Onderwijs, een paar honderd miljoen minder aan gasbaten, een „miljardentekort voor de verpleeghuiszorg”. Als je al deze posten bij elkaar telt, loopt het door het Centraal Planbureau (CPB) voor dit jaar voorspelde begrotingsoverschot van 3,6 miljard euro inderdaad snel terug.

Vorige week meldden verschillende media dat het nieuwe kabinet, waarvan de formatie zo stroef loopt, nog helemaal niet kan profiteren van de snel herstellende economie. Conclusie: de overheidsfinanciën zijn lang niet zo gezond nog als het huidige kabinet – en ook het CPB – steeds heeft voorgespiegeld.

De extra financiële ruimte zou nu zelfs „helemaal weg zijn”, meldde de NOS vorige week op basis van anonieme bronnen. „In plaats daarvan zou een nieuw kabinet nu zelfs moeten rekenen op een tekort van 1 miljard.” De Telegraaf suggereerde dat er nieuwe bezuinigen nodig zijn. „Een nieuw kabinet moet stevig de hand op de knip houden.”

In aanloop naar de publicatie van de Voorjaarsnota, deze week, gonsde het op het Binnenhof van de geruchten over vooral slecht nieuws. De pessimistische berichten zijn gevoed door eerdere uitlatingen van informateur Edith Schippers (VVD) dat „de budgettaire ruimte uitermate beperkt is”.

Minister Jeroen Dijsselbloem (Financiën, PvdA) bleef er kalm onder. Na afloop van de ministerraad waarin de Voorjaarsnota 2017 werd besproken, afgelopen woensdag, probeerde hij de negatieve berichtgeving bij te stellen. „Het klopt dat er sprake is van tegenvallers”, zei hij tegen de verzamelde pers, „maar ook van meevallers. Alles bij elkaar opgeteld is het beeld nog steeds zeer positief.”

Politiek extra gevoelig

Met de Voorjaarsnota geeft de minister van Financiën jaarlijks een stand van zaken over de lopende begroting. Die laten altíjd bepaalde meevallers en bepaalde tegenvallers zien – in de afgelopen jaren minder uitgaven voor geneesmiddelen bijvoorbeeld en sinds 2015 hoog opgelopen extra kosten voor asielopvang. Net als in een huishouden of bedrijf, verloopt een begroting immers nooit zoals ie was bedacht. Het kabinet stelt in hetzelfde document voor hoe de tegenvallers per departement worden opgevangen. Zo kreeg Justitie er vorig jaar, op nadrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer, enkele tientallen miljoenen bij.

Dit jaar ligt de Voorjaarsnota politiek gezien extra gevoelig. Omdat het kabinet demissionair is, kan het geen grote beleidsbeslissingen meer nemen en wil het de overheidsfinanciën graag schoon en gezond achterlaten voor zijn (nog altijd onbekende) opvolgers. Tegelijkertijd is overheidsbeleid nu gevoeliger voor de wensen van de in maart nieuw verkozen Tweede Kamer: nieuwe meerderheden kunnen nieuwe financiële wensen hebben.

De problemen op de huidige begroting, die Dijsselbloem beaamde zonder concrete getallen te noemen, hebben daarmee te maken. Zo voldoet het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen niet aan de eerder afgesproken verplichting om voor ruim 400 miljoen euro te bezuinigen. Dat is een rechtstreeks gevolg van de oproep van de Tweede Kamer vorig najaar, via een breed gesteunde motie van D66-leider Alexander Pechtold om deze bezuinigingsopdracht niet ten koste te laten gaan „van de bekostiging van scholen”. Een behoorlijke beperking, want dat vormt de kern van de uitgaven van dit departement. Volgens Dijsselbloem heeft hij het probleem voor dit boekjaar weten „op te lossen”. Maar, waarschuwde hij: de rekening schuift door naar het volgende kabinet. „Met misschien wel de heer Pechtold.”

Eveneens op verzoek van de Kamer heeft het demissionaire kabinet al besloten tot extra investeringen in de verpleeghuiszorg. Nieuwe kwaliteitsnormen zullen bijvoorbeeld tot meer personeel leiden. Daarvoor moeten verpleeghuizen nu al geld gaan uitgeven.

Geprikkelde Van Rijn

Verantwoordelijk staatssecretaris Martin van Rijn (PvdA) heeft voor dit jaar al 200 miljoen weten vrij te spelen. Maar ook heeft hij de sector al in de komende jaren een bepaald budget toegezegd: tot en met 2021 loopt de investering op tot ruim 2 miljard euro. Strikt genomen is dat in begrotingstermen geen tegenvaller, reageerde Van Rijn vorige week ietwat geprikkeld, maar „de heldere consequentie” van de wensen van de nieuwe Tweede Kamer.

Een nieuw kabinet die de overheidsfinanciën gezond wil houden zal, in welke samenstelling ook, met twee begrotingsfactoren rekening moeten houden. Allereerst is daar het feitelijke begrotingssaldo, het eenvoudige en jaarlijks bij te sturen verschil tussen inkomsten en uitgaven. Daarbij komt het naar de verre toekomst kijkende houdbaarheidssaldo. Dat is het getal dat aangeeft of de sociale voorzieningen met het huidige beleid blijvend op peil te houden zijn, zonder dat daar nieuwe bezuinigingen voor nodig zijn.

Het CPB rekende in maart voor dat het begrotingsoverschot zich gunstig ontwikkelt: van 3,6 miljard euro dit jaar tot bijna 11 miljard in 2021. Het houdbaarheidssaldo op de lange termijn is óók positief: 0,5 procent van het bruto binnenlands product in 2021. In harde euro’s gaat dat om ruim 4 miljard, die toekomstige structurele tegenvallers moet kunnen opvangen.

Externe adviseurs, onder meer van De Nederlandsche Bank en CPB, hadden aan de formatietafel van Schippers al geadviseerd deze buffer niet te gemakkelijk op te souperen. Dat gevaar ligt op de loer als een nieuw kabinet extra uitgaven bedenkt, zonder dat daar extra inkomsten tegenover staan. Daarnaast, suggereerde demissionair minister Dijsselbloem vorige week via de media, zal een nieuw kabinet ook maatregelen en hervormingen kunnen bedenken „die de economie verder kunnen versterken”. Hij doelt op het belastingstelsel, de pensioenen en de arbeidsmarkt. Slim hervormingsbeleid hoeft een structureel gezonde begroting niet aan te tasten.